Dieuwertje Mertens journalist- redacteur- docent

Opzwepend en bevrijdend

Opzwepend en bevrijdend

Het Parool, Boeken, 22 juli 2017

Recensie Marije Langelaar- Vonkt

Dieuwertje Mertens

Vonkt, de derde bundel, van Marije Langelaar (1978), is sprookjesachtig en overtuigend. Haar gedichten variëren van vervreemdend en onheilspellend tot opzwepend en bevrijdend.

De bundel opent met een profetische nachtmerrie: Ik werd wakker dat jaar aan het strand/ mijn vogellichaam/ sterk vermagerd.// Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag./ Volledig van zand.

Als de ‘ik’ samen met dieren en kinderen gaat graven vindt ze een woord/ tussen de zandhersens geklemd, (…) Het was nog onuitgesproken, ongevormd maar het was bijna

De lezer kan alleen maar gissen om welk woord het dan gaat, maar het belooft weinig goeds. Toch is de bundel niet alleen neerslachtig. Als de verteller in het gedicht Put de bodem eindelijk heeft bereikt, blijkt de zon daar eenmaal per dag ook te schijnen, en dan zijn daar ook al snel: de ‘hand van mijn kind’, ‘de ladder’ en ‘een slingerend paadje’.

De beelddronken gedichten van Langelaar zitten bomvol krachtige metaforen, waardoor ze voor meerdere interpretaties vatbaar zijn zonder het verhalende karakter te verliezen. De bundel bestaat uit drie afdelingen: De afgrond omsingelen, Een slag op de trom en Love songs for the Absolute, die zich zowel laten lezen als losse thematische delen als verhalende eenheid waarin we een vrouw volgen die gevangen zit in een naargeestige relatie, het huis verlaat, haar vrijheid zoekt en opnieuw de liefde voor haar man terugvindt.

Sleur heeft een ritme, laat Langelaar zien: Paf! paf! paf!/ We sloegen de trom./ (…) Want dat hadden we geleerd/We sloegen de trom. (…) Tot onze lichamen begonnen te deformeren, we sloegen/ nog harder, tegen de rimpels, het kreukelen/ onze verminderde vruchtbaarheid, een stram in ons been./ (…) wie had ons in de eerste plaats die trommel gegeven?

Door taal aan de dingen te geven, lijkt de ik-persoon vat op haar leven te krijgen: En zo slijt ik mijn dagen/ tegenwoordig ja nogal een contrast met hoe ik ooit/ doof blind stom en leeg begon. (…) bij elke sprong op de stoep roep ik hard en/ eenvoudig Vonk! Vonk! Nu!

De taal die vonkt werkt aanstekelijk en opzwepend en maakt dat de verteller het heft in eigen hand neemt. Ze slaat opnieuw op de trom, ditmaal niet werktuigelijk, maar vol overgave: ik pak mijn trom, loop het veld op/ en roep mijn man. (…) Want ik ben vrouw (…) Ik ben er nu voor mijn man. (…) Ik zinder ik ring ik gong./ Kom man kom!

*****

POEZIE, Vonkt, Marije Langelaar

Vonk

 

En ze vroegen me terug voor dat radioprogramma
ik weet nog steeds niet waarom
want ik had vooral gezwegen
maar de presentator benadrukte dat men daar
nood aan heeft vandaag de dag.
Dus zat ik daar weer achter een microfoon
en zweeg
en ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mijzelf natuurlijk
en de presenator die zenuwachtig aan zijn snor ging
wrijven. Dat ging me goed af. Ik had mijn talent ontdekt.
En vanuit het niets vertelde ik over het vonkje, klein
en zoemend waardoor ik voorzichtig weer in de
wereld, getallen, fenomenen, planeten, materialen
en mensen ging geloven. Er zit een vonk in u.
Jazeker vonk in u. Want die vonk is in mij, ik weet
verder niets mijn denkkracht is nihil, geen zicht,
geen gehoor, ik zwem in het niets maar ik weet
er is een vonk in deze tafel, deze lamp en in u beste
luisteraar.
Ik was dusdanig op dreef dat mijn woorden vlam vatten.
Er zit een vonk in u beste presentator! Ik
smeet het over de tafel.
Hij werd zo bleek en ongemakkelijk dat ik mijn
woordvoering staakte.
Vlammend en trillend begaf ik mij naar huis, ging
vlammend en trillend in mijn bed liggen. Viel in een
vlammende en trillende slaap werd vlammend en
trillend weer wakker.

En schreef meteen bij het ontwaken een brief naar
de krant waarin ik mijn droom uitlegde. Alles moet
vlam vatten lieve mensen. En
van geestdrift ging ik naar buiten op straat de
mensen de hand schudden
want stilzitten op een bankje in het park daar kon
ik niet meer aan.
Ik wilde alle mensen aanraken en bevestigen er is
een vonk in u schreeuwen. En zo slijt ik mijn dagen
tegenwoordig ja nogal een contrast met hoe ik ooit
doof blind stom en leeg begon.
Nu bedenk ik hinkel – en andere kinderspelletjes en
bij elke sprong op de stoep roep ik hard en
eenvoudig Vonk! Vonk! Nu!

(uit: Vonkt, de Arbeiderspers 2017)