Dieuwertje Mertens journalist- redacteur- docent

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

Het Parool, PS 4 november 2017

Dieuwertje Mertens

Schrijver en kunstenaar Charlotte Mutsaers werd afgelopen donderdag 75 jaar. Volgende week zaterdag viert ze Het Grote Charlotte Mutsaers Verjaardagsfeest in de Rode Hoed. Daar presenteert ze tevens haar roman Harnas van hansaplast, Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen en de lp Rikkelrak, waarop ze haar gedichten zingend voordraagt op muziek van Louis Gauthier. Dieuwertje Mertens legde haar citaten uit haar oeuvre voor.

 

Haar jeugd is een van de vele terugkerende thema’s in haar oeuvre: het grachtenpand waar ze opgroeide, haar eigenzinnige ouders die haar maar zo zelden knuffelden, de autoritaire opvoeding en de moeizame relatie met haar moeder. In haar nieuwe roman Harnas van hansaplast schrijft ze nu ook over haar broer Barend, die op 51-jarige leeftijd dood in bed werd aangetroffen ‘in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek, omringd door stapels porno’. Hij leidde een afgezonderd bestaan in hun ouderlijk huis in Utrecht. Samen met haar zus ontruimt ze zijn huis. Ze komt van alles over haar broer te weten.

 

Jarenlang heb ik getracht een boek over mijn broer te schrijven, maar ik kreeg het niet uit mijn pen. Grote lappen tekst zagen het levenslicht en werden met onevenredige snelheid weer verworpen. Dat had alles te maken met de spreuk die er op het gymnasium bij ons was in gehengst (..) over de doden niets dan goeds. (Hvh, 2017)

Wat maakte dat u na zestien jaar wel over uw broer kon schrijven?

‘Het duurt vaak heel lang voor ik een ingang voor een boek heb. Bij dat boek ging dat extreem moeilijk. Meteen toen ik bij mijn nieuwe uitgeverij Das Mag kwam, heb ik echter een heel stimulerend gesprek gehad over het voornemen een boek over mijn broer te schrijven. Dat heeft mij enorm geholpen. Soms heb je gewoon een redacteur nodig die de juiste vragen stelt.’

Zelfs alles wat zogenaamd ontspruit aan de fantasie blijkt in werkelijkheid ook al klaar te liggen om gewekt en uitgepakt te worden, zo ongeveer als Lazarus, wat een begrip als fictie nog niet op losse schroeven zet, maar ons wel duidelijk maakt dat herinnering en fantasie niet principieel gescheiden zijn. (Kersebloed, 1990)

Welke rol speelt fantasie in de roman over uw broer?

‘Eigenlijk wordt alles wat ik schrijf gekleurd door mijn verbeelding. Ik maak bij het schrijven dan ook niet zozeer onderscheid tussen fictie en non-fictie, als wel tussen literatuur en lectuur.’

U raakte in opspraak omdat u in de roman beschrijft hoe u de collectie porno, waaronder kinderporno, na de dood van uw broer verkoopt aan een handelaar.

‘Ik vind het onbegrijpelijk dat ik op het matje word geroepen over het waarheidsgehalte van bepaalde passages. En wat betreft interviews: ik vertel de waarheid in een interview, maar ik zal nooit mijn boek ontrouw worden, dan ondermijn je het.’

U ergert zich aanvankelijk aan uw broer, maar u schrijft ook met veel mededogen over hem. Had u het idee dat u hem moest sparen ten behoeve van zijn nagedachtenis?

‘Nee, zo ligt het niet. Zodra ik over hem begon te schrijven, werd hij een personage en ik kan niet over een personage schrijven zonder er empathie voor te hebben. Wat ook meespeelde: Ik heb sterk de wens gehad hem van een context te voorzien, omdat hij niemand gekend heeft. Ik heb niemand gekend die niet in gesprek was met andere mensen. Dat gaat je toch door je ziel? Hij heeft duizenden kattenbelletjes en snippers geschreven om met zichzelf in gesprek te blijven. Ik vond dat ook heel verrassend. Ik dacht: je hebt een eigen manier van schrijven uitgevonden. Ik heb een flinke lijst van die snippers geciteerd, omdat ik dacht: dat is niet mis wat hij allemaal te berde brengt over zichzelf. Je vraagt je af: voor wie?’

Ik dacht: dit is te goed om waar te zijn.

‘Nee, dit is een protovoorbeeld van la realité sur passe la fiction. Ik heb overwogen een fictief personage van hem te maken, maar hij brak er domweg doorheen.’

Ja, huilers kon je ons wel noemen, al huilden wij dan meestal stilletjes. Maar anders dan bij zeehondjes ontbrak het ons aan de vereiste schattigheid zodat die watervallen weinig opleverden. Dat kwam ook doordat wij nooit huilden om pijn, een harde val of ander concreet ongerief maar louter om ‘onzichtbare’ zaken zoals een inadequate bejegening, een gebroken belofte of ander geleden onrecht. We voelden ons snel verloren of in de steek gelaten. (Hvh, 2017)

Waarom begreep u uw broer zo goed als hij huilde?      

‘Wij gingen altijd op vakantie naar hotel Paasduin in Wijk aan Zee. ’s Avonds na het eten gingen mijn ouders naar café Bol. Wij, mijn broer, zus en ik, bleven dan in het hotel. Volgens mij was ik al een jaar of veertien – mijn zus mocht al met mijn ouders mee –  maar toen heb ik in het hotel alles bij elkaar gehuild. Het personeel kwam naar mijn kamer, maar kon mij met geen mogelijkheid troosten. Barend heeft een keer precies hetzelfde gehad. Ik mocht toen mee en hij bleef alleen achter. Toen we terugkwamen stond het hele hotel op stelten. We kwam de trap op en hoorden hem al erbarmelijk huilen. Toen hij ons hoorde, kwam hij zijn kamer uitgerend. Mijn moeder zei vol ontzetting: ‘Hij heeft toch geen kinderverlamming!’ Ik dacht: je begrijpt er echt helemaal niets van. Mijn broer en ik hadden soms last van existentiële huilbuien. Wees maar blij als je het kunt, denk ik nu, dan vindt het een uitweg.’

‘Bescheidenheit is eine Zier, doch weiter kommt man ohne ihr’ (Pappa).

‘Du Sublime au Ridicule il n’ya qu’un pas’ (de moeder). (De Markiezin, 1988)

 ‘U haalt deze citaten in meerdere boeken aan.

‘Deze twee citaten zijn vormend voor me geweest. Ik blijf er steeds weer naar terugkeren. Mijn moeder citeert Napoleon en lijkt iets tegen het sublieme te hebben. Het lijkt me niet meer dan normaal om het sublieme na te jagen. Mijn vader lijkt te zeggen dat je niet te terughoudend moet zijn en moet nastreven wat je belangrijk vindt in het leven.’

Bent u uw ouders ook op een of andere manier dankbaar voor de verhalen die ze u hebben gegeven?

‘Ik ben ze vooral dankbaar dat ze mij het leven hebben gegeven. Mooie verhalen hebben ze mij ook verteld, vooral mijn vader. Het is niet altijd vervelend geweest bij ons, hoor. Denk dat vooral niet. Mijn vader hield heel van mij. Ik was al zeven-en-een-half en mijn zusje tien toen Barend werd geboren. De boel was al gesetteld. Mijn broertje ervoer ik daardoor als de grote rustverstoorder, een indringer. Ik heb het van meet af aan verschrikkelijk gevonden; zo’n baby die krijst en alle aandacht opeist. Hij werd mijn moeders oogappel en ook mijn vader zag hem als de nieuwe stamhouder.’

Heeft u uw broer vergeven?

‘Ik hoefde hem niets te vergeven, want hij had mij niks misdaan.’

‘Bijna elke speurtocht die tot het eind toe wordt volbracht heeft iets teleurstellends. (..) Nooit rechtstreeks op je doel afstevenen en wegwezen voor je alles hebt achterhaald en benoemd, dat zijn zo’n beetje de huisregels uit mijn keukentje. (..) Bovendien blijft zo de drijfkracht voor een volgend boek bestaan.’ (Zeepijn, 1999)

‘Nou, daar ben ik het helemaal mee eens.’

Het zijn uw woorden. Is er nog genoeg over om te onderzoeken?

‘Natuurlijk, daar zal ik mijn leven lang niet mee klaarkomen. Daarom geloof ik niet dat er voltooide levens bestaan.’

‘Fictie raakt uit. (..) Is dat niet precies wat de lezer tegenwoordig van de schrijver wil? Jou wil hij. Met huid en haar. En niks minder dan dat. En zeker niks méér. Verder wil hij vooral, vooral geen spijt van je krijgen. Geef hem eens ongelijk.’ (Zeepijn, 1999)

Heeft de lezer u met huid en haar?

‘Na dit boek kun je dat misschien wel zeggen, ja. Maar mijn hart en ziel zijn er ook nog.’

De mens heeft tien gelukkige dingen: Een hond om uit te laten/Een vriendelijk gestemd huis/Twee haze-oren (..) maar voor al:/Iemand om thee mee te drinken. (Hazepeper, 1999)

 Beschikt u nu over al deze zaken?

‘Haze-oren heb ik helaas niet. En tegenwoordig drink ik geen thee meer. Ik drink iedere dag een glas champagne, dus ik zou het laatste vervangen door: iemand om champagne mee te drinken.’

Wow fantastic baby/I wanna dan dan dance/hi fantastic baby/dan dan dance

(..)is there more/fun dan rum/voor de stinkende/angst van het ik (LP Rikkelrak, 2017, luister hier)

Geeft u hiermee uitdrukking aan uw levenshouding?

‘Ik ben geboren met een vrolijke aard, maar ook met een neiging tot angst en melancholie.’

 

 

 

Charlotte Mutsaers; Harnas van hansaplast

FICTIE

Das Mag

312 blz.

20,99

 

Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen

Das Mag

9,99

 

Rikkelrak

(Vinyl, lp)

Das Mag

24,99