Recent Posts

‘Poëzie vond mij toen ik veertien was’

‘Poëzie vond mij toen ik veertien was’

Het Parool, PS Boeken, zaterdag 15 juni 2019 Bijtend pamflet: Koleka Putuma put kracht uit openheid De Zuid-Afrikaanse performer, dichter en theatermaker Koleka Putuma maakt furore met haar activistische gedichten. Haar bundel Collective Amnesia sloeg internationaal in als een bom. Door Dieuwertje Mertens ‘Als je […]

Dit is prozacontroverse

Dit is prozacontroverse

Het Parool, PS Boeken, 25 mei 2019 Spoken word in Nederland Dieuwertje Mertens Spoken word hoort eigenlijk niet thuis in een papieren bloemlezing, want ‘ook ritme, tempo, mimiek, bewegingen, intonatie en interactie met het publiek’ horen bij deze ‘voordracht van een zelfgeschreven tekst’. In die […]

Opgeheven vingertje

Opgeheven vingertje

Het Parool, PS Kunst en Media, 10 mei 2019

Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja schreef in opdracht van het Scheepvaartmuseum een gedicht voor de tentoonstelling Republiek aan Zee, die vandaag opent. Dieuwertje Mertens volgde het proces.

VRIJDAG 1 MAART

“Kijk, ik heb speciaal een schipperstrui aan­getrokken,” grapt Tsead Bruinja op het Open Pleyn van het Scheepvaartmuseum. Hij heeft een afspraak met directeur Michael Huijser en conservator Jeroen van der Vliet. Het is zijn eerste opdracht in de openbare ruimte als Dichter des Vaderlands, als ‘DDV’. “Ik ben niet voornemens om neutraal te zijn,” kondigt Bruinja maar alvast aan. “Neutraal is saai.”

“Ik heb begrepen dat de tentoonstelling over de Gouden Eeuw gaat,” zeg ik tegen conservator Van der Vliet als we boven in het kantoor van het Scheepvaartmuseum zitten. “Sorry, die term is beladen en proberen we te vermijden,” corrigeert Huijser snel.

Clichés

“Het Scheepvaartmuseum wil geen clichés herhalen, maar een andere geschiedenis vertellen. Als we het gebruiken, plaatsen we de ‘gouden eeuw’ tussen aanhalingstekens en gebruiken we geen hoofdletters,” zegt Van der Vliet. “De tentoonstelling laat zien hoe Nederland als maritieme natie is gevormd in de zeventiende en achttiende eeuw. We willen de geschiedenis van onderdrukking, uitbuiting en slavernij ­bespreekbaar en zichtbaar maken: hoe kijken we vanuit het heden naar dit verleden?”
Van der Vliet toont een powerpointpresen­tatie van de objecten die te zien zullen zijn in de tentoonstelling. Bruinja toont veel interesse in het portret van Constantia Bloemaert (1626-1694); de vrouw van kapitein Sweers, door Isaack Luttichuys. Ze kwam uit een voorname Antwerpse familie en het waren haar familie­kapitaal en netwerk die haar man geld en aanzien bezorgden. “Vrouwen spelen een belangrijke rol in de geschiedenis van de republiek, maar hun verhalen worden zelden verteld. Veel echtgenotes van zeelieden zagen hun man zelden,” vertelt Van der Vliet. “Dat vind ik een mooi verhaal,” zegt Bruinja, “de vrouwen die achterbleven.” Hij vraagt of Van der Vliet hem de afbeeldingen wil toesturen.

De directeur en curator leiden de DDV rond door de tentoonstellingsruimte die nu nog wordt verbouwd. Bruinja krijgt te zien waar zijn gedicht moet komen; in een nis in de hal aan het begin van de tentoonstelling. “Ik wil bezoekers graag aan het denken zetten: wat zouden wij doen?” zegt Bruinja. “Schakelen jullie de DDV in omdat jullie je als tentoonstellings­makers genuanceerd moeten opstellen, en hij niet?” vraag ik Huijser. “We geven hem alle vrijheid,” antwoordt die.

DONDERDAG 25 APRIL

Bruinja stuurt de tekst naar het Scheepvaartmuseum. Ik bespreek het gedicht telefonisch met hem.

Het is een gedicht met een opgeheven vingertje. Denkt u dat dit is wat het Scheepvaart­museum voor ogen had?

“Ze dachten vast: iemand moet het zeggen en wij kunnen het niet zeggen. Dus doe ik het. Ik ben ook wel een beetje een moralist. Dat kun je niet altijd uit de weg gaan, zeker niet bij zo’n ­onderwerp als dit.”

U neemt nadrukkelijk stelling in het slavernijdebat. ‘Wij’ dachten dat we ons personeel overal vandaan konden halen, ‘wij’ waanden onze daden groot. Onderstreept u het idee dat ‘wij’ (witte) Nederlanders verantwoordelijk zijn voor de daden van onze voorouders?

“Jazeker. Het kapitalisme heeft een heleboel kapotgemaakt voor zwarte mensen. Het heeft ze hun eigenwaarde ontnomen. Ik kan moeilijk zeggen: ja, maar dat was toen, dat moeten we nu niet meer meenemen.”

Het gedicht is ook provocerend en misschien wel dreigend van toon: ‘maar wie op de pof leeft / van een gesust geweten / leeft in ­geleende tijd’. Met andere woorden: boontje komt om z’n loontje?

“Het gedicht gaat ook over de veranderende economische verhoudingen in de wereld. ­China streeft ons voorbij. Dat kunnen we moeilijk ontkennen. Ik hoop dat men het rustig zal lezen. Alleen maar woede is een karige reactie.”

Waar is Constantia Bloemaert gebleven, waar zijn de vrouwen?

“Tja, die zijn verdwenen. Ik heb de afbeeldingen en tentoonstellingsteksten die ik van ­Jeroen van der Vliet heb ontvangen allemaal bekeken. In de tentoonstelling is een Chinees beeldje te zien van een Afrikaanse man. (Dit beeld uit 1720 werd in opdracht van een Europeaan door een Chinese modelleur gemaakt. De maker had nog nooit een Afrikaan gezien, dus heeft hij zijn eigen invulling gegeven aan hoe een Afrikaan eruit zou zien: als een zwarte Aziaat, DM) Dat beeldje fascineerde me en doet vooral aan het slavernijverleden denken. Dat vormde de aanleiding voor dit gedicht. Ik heb het in één ruk geschreven. ‘Hoe wij worden gevormd’ is een zinsnede die ik heb opgepikt uit een van de tentoonstellingsteksten, die bleef hangen. Heel veel teksten gaan over het in kaart brengen van land. Dat diende natuurlijk niet ­alleen de topografische kennis, maar toonde ook wat waar te halen viel. Ik laat die andere kant zien.”

VRIJDAG 3 MEI

Ik vraag Michael Huijser telefonisch om een ­reactie.

Is het gedicht geworden wat u hoopte?

“Het is heel krachtig en heel activistisch. Ik had verwacht dat hij iets met Constantia Bloemaert zou doen. Maar dit gedicht reflecteert niet zo op de tentoonstelling; het is eerder een pamflet. Het is geschreven vanuit een blanke achtergrond en vanuit een wij-zijperspectief. Nadat we het hadden gelezen, hebben we bedacht dat we het jammer zouden vinden als dit de enige visie op de tentoonstelling zou zijn. Daarom hebben we besloten dat we elk seizoen een andere kunstenaar uitnodigen om op de tentoonstelling te reageren.”

~

republiek leidt wereld royaal om tuin

 

wat wij hebben meegenomen

heeft ons gevormd

 

land dat we in kaart brachten

werd handel die we in kaart brachten

werd volk dat we ons aanschaften

 

je kunt je personeel overal vandaan halen

dachten wij

 

je kunt mensen aan je binden door hen te laten geloven dat het allemaal niet in jullie handen ligt geluk komt van boven rijkdom moet aan de top verzameld voordat het naar

beneden sijpelt oorlog kun je voor je laten voeren door vreemdelingen en bedrijven zodat je zelf als bedelaar door het leven kunt

blijven gaan

 

en als barmhartige samaritaan

spring je op de bres

waan je je daden groot

 

maar wie op de pof leeft

van een gesust geweten

leeft in geleende tijd

 

en wie wacht op de beloning na de eindtijd

is met zijn lekke pronkjacht verwikkeld

in een spiegelgevecht

 

lood om oud vlees

 

er is personeel dat een aandeel eist

en dat je van de kaart zal brengen

 

wat heb je hen gevaarlijke dingen geleerd

met je kralen wapens en schelpen

 

door wat je hebt meegenomen

ben je gevormd maar niet af

 

de zee splijt vanzelf een tweede keer

nog even

dan ben je zelf de trofee

Familie als de basis van alles

Familie als de basis van alles

Het Parool, Dagblad van het Noorden, Leeuwarder Courant, zaterdag 20 april Huidskleur bepaalt hoe je wordt bejegend Dieuwertje Mertens Gebroken wit is de nieuwe roman van P.C. Hooft-prijs-winnaar Astrid H. Roemer. Hoofdmetafoor in het verhaal van de Surinaamse familie Vanta is het licht. ,,We zijn […]

Het spektakel van een archiefkast

Het spektakel van een archiefkast

Het Parool, Boeken, 30 maart 2019 Een hand die verzamelt en classificeert Door Dieuwertje Mertens ‘Een archief kan niet zonder archivaris, een hand die verzamelt en classificeert,’ is één van de motto’s van het eerste deel van Archief van verloren kinderen van Valeria Luiselli. In […]

Feminisme: Weinig eigentijdse voorbeelden in nieuwe leeslijst

Feminisme: Weinig eigentijdse voorbeelden in nieuwe leeslijst

Het Parool, Boeken, zaterdag 23 maart 2019

Romans die je als moderne feminist gelezen móet hebben

Door Dieuwertje Mertens

‘Hoe te leven? Hoe te worden wie je bent? Simone de Beauvoir ging ons voor, in ieder geval mij,’ schrijft criticus en schrijver Marja Pruis. Een nieuwe generatie feministen lijkt het aan dergelijke voorbeelden te ontbreken. In samenspraak met ‘een keurkorps’ stelde ze De nieuwe feministische leeslijst samen; een bundeling essays over romans die je als moderne feminist gelezen móet hebben – en dat zijn voornamelijk boeken van feministen van de tweede golf.

Pruis, zelf feminist van de tweede golf, is van een generatie waarin feminisme een intellectuele en/of theoretische basis genoot. Een van haar huisgenoten zwoer bijvoorbeeld bij Susan Sontag, een studiegenote liet zich inspireren door Virginia Woolf en in haar eigen studentenkamer hing een poster van De Beauvoir met een oneliner uit De tweede sekse: ‘Je wordt niet als vrouw geboren, maar gemaakt.’

Beyoncé

De feministische iconen van haar generatie verschillen nogal van de iconen van nu. Denk aan actrices Emma Watson en Angelina Jolie of zangeres Beyoncé. Laatstgenoemde spreekt zich in haar songteksten uit tegen seksisme en racisme; haar feminisme vindt gretig aftrek onder (tiener)meisjes en jongens over de hele wereld. Ze is feminist lite, volgens critici. Oftewel: Beyoncé promoot het soort feminisme waarbij men makkelijk (zonder intellectuele inspanning) aansluiting vindt. Pruis schrijft: ‘(..) feminisme is óók lite geworden, en schaamt zich daar niet voor. En waarom zou het ook?’

Toch streeft Pruis – getuige De nieuwe feministische leeslijst – een meer intellectueel geworteld feminisme na. Haar leeslijst stelde ze samen met hulp van critici en schrijvers, zoals Roos van Rijswijk, Mounir Samuel en Clarice Gargard. Deze actuele canon moet inzicht geven in wat het tegenwoordig betekent om feminist te zijn en dat blijkt nog niet zo makkelijk: ‘Het huidige feministisch elan maakt hongerig naar oude en nieuwe helden, inspirerende en krachtige voorbeelden. Het lijkt soms wel of er vroeger meer werd getheoretiseerd, en nu meer wordt gepraktiseerd. Ook is het alsof hedendaags feminisme veel meer persoonlijk is, verbonden aan ieders eigen identiteit, terwijl voorheen het eigen levensverhaal ondergeschikt was aan het collectief,’ schrijft Pruis.

#MeToo

Kortom: zoveel verschillende feministen, zoveel verschillende politieke agenda’s. Toch is het tegelijkertijd zo dat, ondanks de individuele invulling, juist bij het feminisme van nu de saamhorigheid veel meer centraal staat. Dat zie je aan #MeToo, een beweging waarin het bij uitstek draait om het collectief: we nemen het sámen op tegen seksueel geweld jegens vrouwen. De kritiek op #MeToo is afkomstig uit de liberale hoek (veelal feministen van de tweede golf): het slachtofferschap wordt gehekeld en men wijst op de eigen verantwoordelijkheid.

Ongevaarlijk

Pruis spreekt zich in het voorwoord niet negatief uit over #MeToo, maar lijkt ook niet zo onder de indruk van wat het feminisme van nu te bieden heeft. Ze bespreekt bijvoorbeeld het ‘instap-feminisme’ van Chimamanda Ngozi Adichie. De schrijver roept zich in haar manifest We zouden allemaal feminist moeten zijn uit tot ‘Gelukkige Afrikaanse Feministe Die Mannen Niet Haat En Die Graag Lipgloss Opdoet En Hoge Hakken Draagt Voor Zichzelf En Niet Voor Mannen’. Ze biedt volgens Pruis ‘een mengeling van activisme en humanisme die het aantrekkelijk, maar in zekere zin ook ongevaarlijk maakt’.

Hoewel de titel anders suggereert wordt in De nieuwe feministische leeslijst weinig recente feministische literatuur besproken. Er wordt vooral teruggegrepen naar ‘klassiekers’ van de tweede golf: Nancy Friday, Toni Morrison, Clarice Lispector, Luce Irigaray.

De keuze voor minder eigentijdse voorbeelden is een veilige. De besproken romans zijn in de kritiek en literatuurgeschiedenis al geoormerkt als ‘feministisch’. Alleen Xandra Schutte staat uitvoerig stil bij derdegeneratiefeminist Maggie Nelson, die in De Argonauten (2015) schrijft over haar relatie met een transgender en haar onconventionele gezin. Een uitzondering.

Waar zijn andere eigentijdse feministen als Zadie Smith, Ariel Levy en Roxane Gay? Laatstgenoemde en zelfverklaarde Bad Feminist en activist in de #MeToo-beweging, illustreert precies het soort feminisme waarbij het eigen levensverhaal centraal staat. Ze heeft een enorme achterban en leent zich alleen al om die reden voor een kritische analyse en beschouwing.

“Wat is een feministische roman?” werd Niña Weijers gevraagd tijdens een panelgesprek. ‘Een sterk vrouwelijk hoofdpersonage, is dat feministisch? Nee, (..) dat is een uitgehold cultureel cliché’ vindt ze. Veel jonge vrouwelijke auteurs, zoals bijvoorbeeld Simone van Saarloos (die geen bijdrage leverde) en Niña Weijers noemen zich wel feminist, maar lijken te willen voorkomen dat hun romans worden geassocieerd met een dogmatische boodschap. Door de kritiek word je dan al snel afgerekend op het gebrekkige literaire gehalte.

“Zouden jullie dan je eigen romans feministisch willen noemen?” vroeg de interviewer aan de deelnemers van het panelgesprek. ‘(..). Nee, dat wilden we niet. Te ideologisch, te beperkend. Een antwoord dat de vraag op een bepaalde manier weer ophief, want als wij onze eigen romans niet feministisch wilden noemen, wie waren wij dan om andere romans wél als zodanig te bestempelen?’

The Bell Jar

Weijers’ essay gaat over De huilende libertijn (1970) van Andreas Burnier, die zelf in een interview ontkende daarmee een feministische roman te hebben geschreven. Weijers bespreekt de roman wel als zodanig omdat deze ‘de feministische strijd’ als onderwerp heeft. Daarmee beantwoordt ze haar eigen vraag en eist ze als criticus haar rol op: het is aan haar om te analyseren, te duiden en, wat de auteur zelf zegt is tot op zekere hoogte van secundair belang. Wat ze er ook mee zegt is dat een roman met een feministisch onderwerp een feministische roman is.

Joost de Vries, die The Bell Jar (1963) van Sylvia Plath bespreekt, vraagt zich af wanneer je nu overtuigend kunt spreken van een feministische klassieker: ‘Je zou zeggen: als het boek een maatschappelijke inslag heeft, laat zien hoe vrouwen zijn, hoe ze worden onderdrukt, hoe ongelijkheid in stand wordt gehouden of juist doorbroken kan worden. Als het boek bewustzijn creëert, vrouwen steunt in hun strijd, het patriarchaat aanvalt?’

Over The Bell Jar schrijft hij echter: ‘In dit geval moet je toegeven dat het simpelweg ook een feministische klassieker is omdat het is geschreven door Sylvia Plath, de patroonheilige van door het huwelijk onderdrukte vrouwen.’

De vragen en kanttekeningen die de essayisten bij de gecanoniseerde klassiekers stellen, zijn illustratief voor het feminisme van nu waaraan een veel persoonlijker invulling wordt gegeven. Of zoals Pruis concludeert: ‘Je kunt een leven lang over feminisme nadenken, feminist zí­jn, maar toch telkens opnieuw uitgedaagd worden om te bedenken wat het is.’

DE MOEDER DE VROUW

Het boekenweekthema van de CPNB in jarenvijftigvocabulaire (De moeder de vrouw) en het Boekenweekgeschenk, geschreven door Jan Siebelink (langs de intersectionele meetlat: een bevoorrechte witte man op leeftijd) waren koren op de molen van moderne feministen.
Drie boeken over het moederschap van Pruis’ feministische leeslijst:

Franca Treur over Elisabeth Badinter,

*De mythe van Moederliefde (1980): ‘Moederliefde is (dus) een gevoel als alle andere. Afhankelijk van omstandigheden is er meer of minder van.’

Marian Donner citeert Nancy Chodorow,

*Waarom vrouwen moederen (1978): ‘Kinderen willen één blijven met hun moeder; ze verwachten dat zij nooit behoeften zal hebben die buiten hen omgaan.’

Xandra Schutte citeert Gemaine Greer,

*The Female Eunuch (1970): ‘Kinderen opvoeden is geen echte bezigheid, omdat kinderen toch wel opgroeien, of ze nu opgevoed worden of niet.’

 

 

‘Ik heb gevochten als een leeuw om dit pokkeverhaal niet te vertellen’

‘Ik heb gevochten als een leeuw om dit pokkeverhaal niet te vertellen’

Het Parool,  PS Kunst en Media, vrijdag 16 maart 2019 Manon Uphoff schrijft openhartig over misbruik De vormenrijkdom van een traumatische jeugd Dieuwertje Mertens In de roman Vallen is als Vliegen beschrijft Manon Uphoff haar jeugd; een labyrintische wereld waarvan misbruik en geweld vaste onderdelen […]

Woorden als diva’s op de bühne

Woorden als diva’s op de bühne

Het Parool, Boeken, zaterdag 2 februari 2019 Tom Lanoye: Dichter is weer even terug Door Dieuwertje Mertens Tijdens een interview vertelde dichter en (theater)schrijver Tom Lanoye me eens dat hij zich meer romancier voelt dan dichter. Hij bracht de laatste jaren ook meer romans (en […]

De magie van een gedicht

De magie van een gedicht

Het Parool, PS Kunst en media, donderdag 31 januari 2019

Poëzieweek: Spoken word en poetry slam groeien naar elkaar toe

Dieuwertje Mertens

Tijdens de Poëzieweek wordt de Nederlandse poëzie gepromoot met activiteiten door het hele land. Om de verkoop van dichtbundels te stimuleren is er het Poëziegeschenk Vrij – wij? van Tom Lanoye. Bundels worden over het algemeen in kleine oplages gedrukt, omdat ze slecht verkopen – terwijl poëzie op het podium wel leeft. Toch ambiëren veel jonge dichters een bundel. De literaire infrastructuur is zo ingericht dat zoiets bijna een vereiste is voor een professionele dichterspraktijk. Wie werk heeft uitgebracht, wordt uitgenodigd voor optredens en kan daar een (groter) honorarium voor vragen. Voor performancedichters zonder bundel lag dit altijd moeilijker, maar met de opkomst van spoken word lijkt dit te veranderen.

Spoken word is in Nederland een relatief nieuwe discipline, die zich snel ontwikkelt. Hier bestaat in tegenstelling tot landen als Duitsland een onderscheid tussen spoken word en poetry slam. Bij spoken word vertelt de dichter/spreker een persoonlijk verhaal rond een maatschappelijk thema: het maken van een politiek statement en de emanciperende werking van het uitspreken van een tekst voor een publiek staan centraal.

Poetry slams worden altijd in wedstrijdverband georganiseerd; er is naast een publieksjury een vakjury, die de dichter niet alleen afrekent op performance, maar ook op literaire kwaliteit. Sinds een paar jaar doet Het Literatuurhuis, organisator van het NK Poetry Slam, zijn best om ook juryleden uit andere gelederen aan te trekken; onder andere uit de spokenword- en hip-hopscene.

“De scheidslijn tussen spoken word en poetry slam wordt kleiner; er is steeds meer overlap. In België is het onderscheid al helemaal klein,” zegt Sophie Kok van Het Literatuurhuis. Neem de winnaar van het Belgische Kampioenschap Poetry Slam, de Rwandese Lisette Ma Neza: haar teksten zijn verhalend en programmatisch en gaan bijvoorbeeld over haar afkomst en over haar ervaringen met seksueel misbruik (#MeToo).

In Nederland zijn bij de poetry slams ook steeds meer deelnemers uit de spokenwordscene. Het resultaat is meer diversiteit: de deelnemers hebben verschillende culturele achtergronden, de thema’s veranderen en er ontstaat een soort kruisbestuiving in thema’s, stijl en vorm. Maar wat deelnemers uit beide disciplines volgens Kok met elkaar gemeen hebben: “De meesten willen graag een bundel uitgeven.”

Nieuwe mogelijkheden

‘Er is wel duidelijk een trend waarbij spoken word dichters steeds meer bundels de wereld in helpen, maar ik weet dat er ook mensen zijn die dit helemaal niet ambiëren,’ zegt dichter Dean Bowen, die vorig jaar met de bundel Bokman debuteerde. Hij heeft naar eigen zeggen een relatief unieke positie in de poëzie; hij komt uit de spoken word scene, nam in een grijs verleden deel aan poetry slams, maar is ook geworteld in de klassieke poëzie. Hij houdt zich al van jongs af aan bezig met dichten en is heel bewust gaan deelnemen aan slams en spoken word avonden om andere dichters te ontmoeten en een publiek te vinden. ‘Het was altijd al een droom van mij om een bundel uit te geven, maar dit leek jaren onhaalbaar. Op het podium beleeft een gedicht een kortstondig magisch moment, een bundel is tijdloos.’ Nu Bokman er eindelijk is, ziet hij ook andere voordelen: ‘Mijn bundel is goed besproken en genomineerd voor o.a. De C. Buddinghprijs. Ik word nu ook uitgenodigd door literaire festivals: ik trad bijvoorbeeld op bij Crossing Border en ik heb mij kunnen inschrijven bij de Schrijverscentrale, wat nieuwe mogelijkheden biedt.’

Op het podium

“Het was altijd al een droom van mij om een bundel uit te geven, maar dit leek jaren onhaalbaar. Op het podium beleeft een gedicht een kortstondig magisch moment, een bundel is tijdloos.” Nu Bokman er eindelijk is, ziet hij ook andere voordelen: ‘Mijn bundel is goed besproken en genomineerd voor onder meer De C. Buddinghprijs. Ik word nu ook uitgenodigd door literaire festivals: ik trad bijvoorbeeld op bij Crossing Border en ik heb mij kunnen inschrijven bij de Schrijverscentrale, wat nieuwe mogelijkheden biedt.”

“Spoken word kan zich op het podium ook goed manifesteren, zonder dat daar een bundel voor nodig is,” zegt Greetje Heemskerk, afdelingshoofd binnenland bij het Nederlands Letterenfonds.  Maar als een dichter aan een werkbeurs wil komen bij het Nederlands Letterenfonds, zal hij toch minimaal één bundel moeten hebben gepubliceerd. “We zien de uitgever als de eerste zeef.”

Literaire festivals

Maar het fonds ziet ook dat performance steeds belangrijker wordt. Daarom heeft het ook extra budget vrijgemaakt voor literaire festivals, initieert het in samenwerking met de Schrijverscentrale projecten als ‘Spoken voor de klas’ en geeft het werkbeurzen aan audioprojecten. En: er wordt gesproken over de mogelijkheid dat dichters en performers die nog ní­et hebben gedebuteerd bij een uitgeverij, in de toekomst toch een werkbeurs kunnen aanvragen – in 2021, als het nieuwe beleidsplan van kracht wordt.

Bowen: “Het ontbreekt instellingen die zich normaal tot klassieke poëzie verhouden aan de tools om kwaliteit te herkennen. Spoken word neemt de eerste stappen op de weg naar volwassenheid, maar de discipline is nog jong. Er is nog geen discours ontwikkeld, dat zou ik graag zien gebeuren. Poetry slam is in dit licht een instrument om dichters uit beide scenes naar elkaar toe te brengen.”

NEDERLANDSE POËZIE 2018 IN CIJFERS

Er zijn 150 Nederlandstalige dichtbundels uit 2018 ingezonden voor De Grote Poëzieprijs 2019 (opvolger VSB Poëzieprijs). Ter vergelijking: in 2017 waren er 79 inzendingen voor de VSB Poëzieprijs. Voor een klein taalgebied is 150 titels een flinke hoeveelheid, zeker als je weet dat poëzie in het algemeen slecht verkoopt.

De afzet van Nederlandstalige poëzie groeide dit jaar echter 26 procent (!). Volgens CPNB en KvB Boekwerk is die toename deels te danken aan de bloemlezing van Levi Weemoedts poëzie, Pessimisme kun je leren, samengesteld door Özcan Akyol. De bloemlezing staat op de 20ste plek in de CPNB Top 100, de lijst met de honderd bestverkochte boeken van het afgelopen jaar. Niet eerder kwam een poëzietitel zo hoog op de lijst: in 2018 zijn er tussen de 60.000 en 75.000 exemplaren verkocht.

Om een idee te geven: het veelgeprezen debuut Habitus van Radna Fabias, dat de C. Buddinghprijs won, heeft in zes drukken een oplage van ‘om en nabij de 2000’. Hoeveel er verkocht zijn, wil de Arbeiderspers niet kwijt. Kortom: behalve Weemoedt zullen er weinig dichters van die stijging in verkoop hebben geprofiteerd.

*NK Poetry Slam, zaterdag 2 februari om 20.00 in Tivoli Vredenburg; poezieweek.com

 

Van Afrika en voor Afrika

Van Afrika en voor Afrika

Het Parool, Boeken, 12 januari 2019 Winternachten: Literatuur vanuit Oegandese orale traditie Jennifer Nansubuga Makumbi is komende week te gast op het Haagse literatuurfestival Winternachten Writers Unlimited. Een gesprek over Afrikaanse literatuur. ‘Afrikaanse auteurs schrijven vaak voor de witte markt.’ Door Dieuwertje Mertens ‘For God’s […]

Een nog groter mysterie

Een nog groter mysterie

Het Parool, zaterdag 12 januari, Boeken Romanschrijver van beroep Door Dieuwertje Mertens Hoe komt het dat de Japanse auteur Haruki Murakami wereldwijd zoveel hartstochtelijke bewondering oogst onder lezers? En dan heb ik het niet over het gedegen soort literaire waardering dat wel meer wereldberoemde auteurs […]

Worsteling met Bijbel en homoseksualiteit

Worsteling met Bijbel en homoseksualiteit

Het Parool, Dagblad van het Noorden, Leeuwarder Courant, 5 januari 2019

Woede als een oud motorblok, ontleden

Door Dieuwertje Mertens

Wat doe je als je geen kant op kunt met je woede? ‘Een woede als een oud motorblok/ ontleden, met je handen verspreiden over een kleed/ op tafel, en opeens alle onderdelen/ zien liggen, een woede zien liggen/ zonder dat hij nog bevestigd is‘ dicht Roelof ten Napel (1993) in zijn openingsgedicht Vuur. In zijn poëziedebuut Het woedeboek worstelt de verteller met zijn christelijke achtergrond en zijn homoseksualiteit.

In hoofdlijnen kent de bundel een voorspelbaar verloop: de verteller maakt stadia van onbegrip, afwijzing, twijfel, wanhoop (gebed) door – dan volgt verlossing in de vorm van zelfacceptatie. Daaronder heeft de bundel een bijzondere en grillige structuur doordat hij in ongelijkmatige onderdelen uiteenvalt: gedichten hebben terugkerende titels, zoals Vuur, Wolf, Machine, Magnolia en Psalm. De titels lijken een soort categorisering waarin ‘wolf’ bijvoorbeeld verwijst naar de verbinding met de voorouders (wolf, jij doodskop,/ wat wil je dat ik zeg? van voorouders vervulde blik waar ga je heen?’) en ‘machine’ naar de maakbaarheid en het defect van de dingen (‘Mijn na jaren wrijving versleten tuig,/ er huist nog een geest in – je weet toch nog/ hoe ik door je bewogen werd?‘) De dichter hanteert een vocabulaire van oude woorden (vuur, wolf etc.) en vermijdt al te hedendaagse begrippen.

De meeste gedichten zijn geschreven vanuit de tweede persoon: er is een ‘je’ die zijn plek in de voorouderlijke lijn probeert te doorgronden en die zichzelf toespreekt. De worsteling van de verteller zit in het bewustzijn dat het lichaam de drager is van ons wezen, ons ‘zijn’. Dat lichaam kent zondige verlangens en is niet geheel te sturen door de geest. Het komt voort uit een gelovig geslacht dat alles afwijst waar hij naar verlangt: ‘Het nageslacht staat hijgend op de drempel (..) je zonde is dat jij in leven blijft ten koste van/ alles, en jij jezelf/maar niet weet weg te nemen.

In dit soort gedichten toont de verteller zich kwetsbaar en wanhopig. Toch wordt hij nergens pathetisch. Hij geeft voldoende tegengas in gedichten vol (Bijbelse) verwijzingen en sterke, oude metaforen, zoals in het gedicht dat de titel Woede draagt waarin de verteller zich tot zijn schepper verhoudt: ‘Mijn lichaam getuigt van een oeroud/ woedend vuur, dat aan mij likt,/ en van mij brandt, hoewel er niks verteert -// en daarin ergens leeft een hitte/die mij begeert, die ik begeer, waarin ik/opga, met ontzagwekkende dorst.‘ Wat een krachtig en emanciperend poëziedebuut.