Dieuwertje Mertens journalist- redacteur- docent

Recent Posts

Gevoel voor ritme, timing en drama

Gevoel voor ritme, timing en drama

Het Parool, PS Boeken 10 februari 2018 Dieuwertje Mertens De Vlaamse schrijver en dichter Carmien Michels (1990) laat in haar poëziedebuut We komen van ver zien waar ze vandaan komt. Dat doet ze met de nodige zelfrelativering en humor. Een van de gedichten draagt de […]

Grimmig literair zusje van Spit

Grimmig literair zusje van Spit

Het Parool, PS Boeken 3 februari 2018 Dieuwertje Mertens Wat gebeurt er met een gezin als er een kind overlijdt? In haar debuutroman De avond is ongemak laat Marieke Lucas Rijneveld (1991) door de ogen van de tienjarige Jas zien hoe het gereformeerde boerengezin gezin […]

Een kakofonie van stemmen en nog wat whatsappjes

Een kakofonie van stemmen en nog wat whatsappjes

Het Parool, PS Boeken, 27 januari 2018

Dieuwertje Mertens

In Gebrek is een groot woord, de tweede roman van Nina Polak (1986), staat hoofdpersonage Nynke voor keuzes die te maken hebben met vrijheid en verbondenheid: moet ze zich settelen, blijft ze reizen, kiest ze voor haar grote liefde Borg of niet, moet ze haar zwangerschap omarmen of afbreken? Wat drijft haar en waarom?

Nynke Nauta, alias Skip, leidt een vrijgevochten bestaan: ze reist de wereld rond om zeilboten van particulieren naar de gewenste bestemming te zeilen. Tot ze in Cannes de familie Zeno tegen het lijf loopt. Ze besluit gebruik te maken van de gastvrijheid van het gezin dat haar eerder in haar leven hielp en keert voor een zomer terug naar Amsterdam voor een verblijf in hun tuinhuis.

Hoe het nu precies zit met Nynke en de familie Zeno wordt nergens expliciet gemaakt. Wel wordt duidelijk dat Mascha, Nico en hun zoon Juda als een soort pleeggezin hebben gefungeerd in de periode dat Nynke het moeilijk had. Na de dood van haar moeder, met wie Nynke een moeizame band had, is ze zeven jaar geleden opeens vertrokken, de familie Zeno, Borg en vrienden achterlatend.

Het verhaal wordt verteld door Nynke en is voorzien van mails, WhatsAppconversaties, dialogen en een ‘manuscript’ van Borg. Door middel van die perspectieven en interacties kan de lezer zich een beeld van Nynke vormen.

Het geeft zowel een authentiek als een kunstmatig karakter aan de roman. De bezoekjes die Nynke bij terugkomst aan vrienden brengt, zijn in het verhaal opgenomen als interview. Alle zes de vrienden houden een monoloog over het burgerlijk bestaan waarin ze bijna allemaal zijn vervallen; een samenzang van geklaag. Deze vrienden spelen verder geen rol, behalve dat zij het tegenovergestelde uitdrukken van de vrijheid die Nynke symboliseert.

De kakofonie van stemmen die Polak opvoert, laat zien hoe goed zij in staat is om iedereen een levensecht stemgeluid te geven. Polak schakelt soepel tussen vocabulaires. Dat van Nynke moet uitdrukken dat ze weliswaar niet heeft gestudeerd, maar heus niet dom is (‘de timing is nogal suboptimaal (..)’, ‘achter me schallen de Walkuren van Wagner’), haar oude vriendin uit Slotervaart spreekt straattaal (‘Die handsome motherfucker, hier, moet je hem kijken.’). Daartegenover staan dan weer de ietwat pretentieuze Zeno’s die in hun Oud-Zuidbubbel leven en hun idealistische puberzoon niet begrijpen. Wat drukken mensen zich toch lelijk uit en wat kramen ze een boel onzin uit. In communicatie zit vooral een hoop ruis, toont Polak.

Waarom is Nynke zeven jaar geleden vertrokken? Was het vluchtgedrag, bindingsangst, is ze getekend door haar ‘koele moeder’? De personages om Nynke heen psychologiseren er (met haarzelf) lustig op los.

Polak heeft een bijzonder verhaal geschreven, waarmee ze uitdrukking geeft aan de tijdsgeest: alles en iedereen heeft een stem en een mening, informatie kent geen hiërarchie, niets is eenduidig, maar toch willen we iedereen die niet in de pas loopt doorgronden.

fictie Nina Polak, Gebrek is een groot woord, Prometheus, €19,99. 240 blz.

Klik hier voor een leesfragment

 

Het gevoel verloren te zijn

Het gevoel verloren te zijn

Het Parool, PS Boeken, 27 januari 2018 Dieuwertje Mertens Finse meisjes zeggen zelden gedag en als ze boos zijn sturen ze je een rotte zalm. Het is onmogelijk om nog aan Finse meisjes te denken, zonder aan Kira Wuck (1978) te denken. Met De zee […]

Balanceren op het randje van kitsch

Balanceren op het randje van kitsch

Het Parool, Donderdag 25 januari 2018 Verhelst is de koning van de Esthetiek Dieuwertje Mertens Vandaag is de Poëzieweek begonnen, Het bijbehorende poëziegeschenk werd dit jaar geschreven door de Vlaamse dichter, romancier en regisseur Peter Verhelst, die ook een gedicht voor de bibliotheken maakte, dat […]

Hapiness alom

Hapiness alom

Awater, winter 2018

‘Ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte’

Dieuwertje Mertens

‘Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden/of is het juist andersom?’ dicht Sasja Janssen in het titelgedicht van haar vierde bundel Happy. Welke invloed heeft de taal op onze handelen en op onze beleving? Zit geluk niet in de taal?

In het openingsgedicht Ballade van de dichteres gooit Janssen haar worsteling maar meteen op tafel. Soms ontbreekt het haar aan taal, soms is haar taal te ingewikkeld voor de lezer en soms doet ze wat de lezer van haar verwacht: ‘ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte/misschien geen poëzie,/maar mijn troubles over taal verdwenen.’

Janssens poëzie heeft iets ‘onaards’. Haar gedichten zitten vol transcendentale perspectieven en perspectiefwisselingen. En ook in Happy trekt ze zich weinig aan van begrenzingen van tijd en ruimte.  Ze borduurt daarmee voort op haar vorige zeer oorspronkelijk en intelligente bundel; Ik trek mijn species aan. Daarin volgt ze de boeddhistische leer, waarin de weg naar de hoogst haalbare staat van verlichting, wordt afgelegd: als je nirwana hebt bereikt, ben je bevrijd van begeerte, hartstocht en waan en hoef je geen wedergeboorte meer door te maken. De verteller verkeert in een positie tussen leven en dood.

Ook in Happy zoekt Janssen naar verlichting: ‘(..)In de bergen van Rucâr/lag een dood hondje met brede bek en mager/witgekookt lijfje, zijn maag leeggegeten. Het is te weinig/keren doodgegaan om happy te worden, net als ik/vraag ik teveel?’ Een thema waar bladen als Happinez, meditatiecursussen en trainingen als ‘mindfulness’ gretig op inspelen. Misschien zijn we wel doorgeslagen in onze pogingen om ‘in het nu’ te zijn: ‘In de zomer horen wij in de zang van de krekel/de kou over de bladeren komen./We honen bij voorbaat zijn modieuze mindfuck van het nu’, dicht Janssen in Mindfuck. Ze stelt zich hyperbewust op. Ze is niet ‘in het nu’, ze is overal en nergens.  De verteller raakt doordrongen van het besef wat het betekent om mens te zijn, ze ziet toe op de mensheid en dicht: *Ik alleen kan het, me losweken van mijzelf, zoals/een gedicht van zijn maker./Een camouflagetechniek, die met gemak aan te leren is./De meeste mensen zijn er huiverig voor, maar willen er alles/van weten, totdat ze me verwijten dat ik geen zedelijk/bewustzijn heb./Het komt te dicht bij de dood./Hoewel je die al bij je eerste uur cadeau krijgt.// Ik ben alleen wanneer ik mijn geluk herhaal./Hoeveel herhalingen heb ik nodig om te geloven/dat ik mijn geluk herhaal?  (..)*

De bundel vraagt om een specifieke leeshouding. Je moet bereid zijn om verwachtingen los te laten en niet te zoeken naar houvast in de vorm van een eenduidige context of een helder vertelperspectief.

In dat losgezongen karakter van de bundel zit de kracht, maar een enkele keer ook de zwakte van Happy. De dichter maakt het de lezer niet altijd even gemakkelijk, zoals in het gedicht Flatterzunge (een techniek voor blazers: het uitspreken van een r bij het uitblazen van de lucht, dit veroorzaakt een raspend geluid), waarin de lezer weinig houvast krijgt: ‘Met een jonge god onder ziekwitte lakens/toen je hoorde dat jij het was/en hij struikelde alle trappen af.’ Wie is ‘je’/’jij’/’hij’? ‘Je’ koopt een kalf, omdat ‘je’ niet meer bij de mensen terecht kunt en aan het einde van het gedicht is ‘je’ niet langer mens, maar ‘tong lippen tong’.

Dichters moeten vooral verwarring zaaien, maar het wordt lastig op het moment dat een gedicht een verhalend karakter heeft, zoals Flatterzunge, en zowel vertelperspectief als context op geheel losse schroeven staan – dan heeft de lezer wel heel weinig in handen.

De bundel bevat een aantal zeer lange gedichten, waar ik over het algemeen genomen niet gek op ben, omdat ik vind dat de kracht van een goed gedicht vooral tot uitdrukking komt als de taal zoveel mogelijk gecomprimeerd is. In Happy passen dergelijke gedichten wel, omdat Janssen zich lijkt te verliezen in de taal, waardoor de taal een meditatieve toestand lijkt uit te drukken. Het is moeilijk om hieruit te breken.

Bijzonder aards is daarentegen de gedichtenreeks Ballade van een Alfahulp (1-4). Hierin laat Janssen haar oorspronkelijke taal schitteren: ‘Ik trek de gordijnen dicht als een lijkzak, de tengere/sigarettenhulzen van het bed, snijbloemgroen de deken/die makkelijk vuurt, het moet meteen.’ Het gebruik van krachtige en eigenzinnige metaforen benadrukken het grimmige perspectief van de alfahulp die haar werk misschien wel tegen wil en dank doet: ‘Het moet, de traagheid, mijn kinderhand tussen haar/benen en ik lach met haar mee, want voor mij is het erger,/ik ben ingehuurd, niet ik ga over twee dagen dood. (..)’

In het slotgedicht beseft de protagonist beseft dat ‘we zijn gekomen om te sterven’ en geluk komt na de dood. Ze refereert in Monkey naar het ironische ‘Een groot dichter’ van Kees Ouwens: ‘Toen strekte de dubbelgangster zich in mij uit./Ik was compleet gelukkig, en ik besefte ik ben/een groot dichteres nu’. De hele bundel komt samen, happiness alom.

 

GENRE Recensie

Sasja Janssen, Happy, Querido, 2017, 64 pagina’s, € 16,99

 

Lees het gedicht Ballade van een eendagsvlieg uit de bundel Happy hier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boos en machteloos tegelijk

Boos en machteloos tegelijk

Het Parool, PS zaterdag 20 januari 2018 De gruwelen in de wereld Dieuwertje Mertens De dichtbundels die Remco Campert (1929) de afgelopen jaren uitbracht, stonden in het teken van zijn naderend afscheid, maar in Open ogen dringt ook de actualiteit de bundel binnen: de dichter […]

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Over taal vs. terreur Frank Westerman meets Mohsin Hamid tijdens Writers Unlimited in Den Haag. Gespreksleider: Chris Keulemans. Kan taal een oplossing bieden bij geweld? Oftewel: kan een pen een wapen zijn? Deze vraag is zo idealistisch en naïef, dat de setting waarin hij gesteld […]

‘In America, you are black, baby’

‘In America, you are black, baby’

Kritische blik op de verhouding tussen blank en zwart in Amerika

Dieuwertje Mertens

Ifemelu keert na dertien jaar in Nigeria als Americanah (zo worden de ‘veramerikaanste’ Nigerianen genoemd die na een verblijf in de VS terugkeren), waar haar jeugdliefde Obinze na een mislukte immigratiepoging woont. De gelijknamige roman van de Nigeriaanse succesauteur Chimamanda Ngozi Adichie (1977) die zelf aan Yale University studeerde, laat zich niet alleen lezen als een verhaal over liefde en migratie, maar is tevens een scherpe cultuurkritiek.

Met de blik van buitenstaander neemt Ifemelu de verhoudingen tussen de blanke en zwarte Amerikanen en die van de verschillende klassen in Nigeria onder de loep. Dat doet ze onder meer via haar blog: ‘Raceteenth or Various Observations About American Blacks (Those Formerly Known as Negroes) by a Non-American Black’.

Zodra je in Amerika komt, ben je niet langer Nigeriaan, Jamaicaan of Ghanees. ‘In America, you are black, baby.’ Ook als je in het land van herkomst niet als zwart werd gezien. Vergeet je komaf, blogt Ifelmu: ook al groeide je op met de privileges van een blanke, nu ben je zwart. En dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee, zoals: voel je snel gediscrimineerd, ook al voel je je niet gediscrimineerd en blijf uit de buurt van crime scenes; je voldoet al snel aan het profiel van de dader[1].

Adichie heeft een groot talent voor het aan de dag leggen van misverstanden, verdekt racisme, (goedbedoeld) paternalisme en verborgen vooroordelen. Ze schrijft met humor, zonder te moraliseren, maar ook zonder te bagatelliseren. Het is juist die toon, die Americanah aantrekkelijk maakt.

Met name in de goed opgetekende dialogen komt naar voren hoe mensen worstelen met politieke correctheden en verborgen vooroordelen. Onvergetelijk zijn de gesprekken die Ifemelu voert op een feestje bij het blanke, welgestelde gezin bij wie ze op de kinderen past tijdens haar studie. De vrouw des huizes stelt haar voor als ‘Ifemelu uit Nigeria, oppas en vriendin’. Het nadrukkelijke ‘vriendin’ voelt al een beetje ongemakkelijk gezien de verstandhouding tussen die twee. Maar dan de enthousiaste reacties van de (louter blanke) genodigden: een stel is op een safari in Tanzania geweest, ze betalen nu de studie van de dochter van die ‘fantastische gids’, twee vrouwen doneren met liefde aan een kindertehuis in Botswana en een ander zit in het bestuur van een ontwikkelingsorganisatie in Ghana. Ifemelu voelt zich opgelaten en wenst op dat moment vurig aan de andere kant te staan: niet die van de ontvangende, maar van de gevende partij.[2]

Toch heeft Ifemelu het niet slecht voor elkaar: Ze studeert in Amerika, krijgt een goede baan en genereert een inkomen via haar succesvolle blog over ras, identiteit en afkomst. Kortom: ze leeft the American dream. Daartegenover staat het verhaal van haar jeugdliefde Obinze, die naar Londen gaat, in de illegaliteit belandt, door de immigratiedienst wordt opgepakt en op het vliegtuig terug naar Nigeria wordt gezet, waar hij uiteindelijk rijk wordt met vastgoed.

Draait het in Amerika vooral om het verschil tussen zwart en blank en het ontkennen van dat verschil, terug in het corrupte Nigeria worden de verschillen tussen de klassen benadrukt. Er blijkt een nieuwe economisch welvarend klasse opgestaan. Veel mensen met geld zijn corrupt en degenen zonder geld veelal bereid om corrupt te worden. Maar het is voornamelijk de positie van vrouwen die Ifemelu verwondert en frustreert: Een hoop Nigeriaanse vrouwen  van haar leeftijd zijn wanhopig op zoek naar een man en in de tussentijd zijn ze bijvrouw van welgestelde mannen in ruil voor geld en cadeaus.

Ifemelu, die in Amerika een transformatie heeft doorgemaakt, weet niet goed hoe ze zich tot haar nieuwe omgeving en Obinze moet verhouden. Wie is ze? En: In hoeverre wil ze zich aanpassen aan haar nieuwe omgeving? Ze blijkt eigenzinnig genoeg om er haar eigen draai aan te geven.

Americanah is een van de romans die aan bod komt bij de cursus De ander, over migratie en minderheden in de hedendaagse literatuur, die ik zal geven bij Het Literatuurhuis in Utrecht. De cursus begint op 6 maart. Je kunt je nog inschrijven via Het Literatuurhuis.

 

Chimamanda Ngozi Adichie; Americanah

Fiction

Anchor Books

588 blz.

(Dit boek is ook in Nederlandse vertaling verkrijgbaar, uitgegeven bij De Bezige Bij)

 

 

[1] Blz. 273

[2] Blz. 209

De kwetsbaarheid van de dingen

De kwetsbaarheid van de dingen

Het Parool, PS boeken 6 januari 2017 Dieuwertje Mertens In haar goed ontvangen debuut Papieren veulens (2013) schept Hanneke van Eijken (1981) een sprookjesachtige wereld met een scherp randje. Ook de opvolger Kozijnen van krijt is op het eerste gezicht een lieve bundel vol beelddronken […]

De beste boeken van 2017

De beste boeken van 2017

Het Parool, PS donderdag 28 december 2017 Zo’n eindejaarslijstje met de beste boeken, exposities en films van 2017 slaat natuurlijk nergens op. Ik schrijf over fictie en poëzie, dus ik moet appels met peren vergelijken. Bovendien heb ik bij lange na niet alles gelezen om […]

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

Het Parool, PS 4 november 2017

Dieuwertje Mertens

Schrijver en kunstenaar Charlotte Mutsaers werd afgelopen donderdag 75 jaar. Volgende week zaterdag viert ze Het Grote Charlotte Mutsaers Verjaardagsfeest in de Rode Hoed. Daar presenteert ze tevens haar roman Harnas van hansaplast, Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen en de lp Rikkelrak, waarop ze haar gedichten zingend voordraagt op muziek van Louis Gauthier. Dieuwertje Mertens legde haar citaten uit haar oeuvre voor.

 

Haar jeugd is een van de vele terugkerende thema’s in haar oeuvre: het grachtenpand waar ze opgroeide, haar eigenzinnige ouders die haar maar zo zelden knuffelden, de autoritaire opvoeding en de moeizame relatie met haar moeder. In haar nieuwe roman Harnas van hansaplast schrijft ze nu ook over haar broer Barend, die op 51-jarige leeftijd dood in bed werd aangetroffen ‘in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek, omringd door stapels porno’. Hij leidde een afgezonderd bestaan in hun ouderlijk huis in Utrecht. Samen met haar zus ontruimt ze zijn huis. Ze komt van alles over haar broer te weten.

 

Jarenlang heb ik getracht een boek over mijn broer te schrijven, maar ik kreeg het niet uit mijn pen. Grote lappen tekst zagen het levenslicht en werden met onevenredige snelheid weer verworpen. Dat had alles te maken met de spreuk die er op het gymnasium bij ons was in gehengst (..) over de doden niets dan goeds. (Hvh, 2017)

Wat maakte dat u na zestien jaar wel over uw broer kon schrijven?

‘Het duurt vaak heel lang voor ik een ingang voor een boek heb. Bij dat boek ging dat extreem moeilijk. Meteen toen ik bij mijn nieuwe uitgeverij Das Mag kwam, heb ik echter een heel stimulerend gesprek gehad over het voornemen een boek over mijn broer te schrijven. Dat heeft mij enorm geholpen. Soms heb je gewoon een redacteur nodig die de juiste vragen stelt.’

Zelfs alles wat zogenaamd ontspruit aan de fantasie blijkt in werkelijkheid ook al klaar te liggen om gewekt en uitgepakt te worden, zo ongeveer als Lazarus, wat een begrip als fictie nog niet op losse schroeven zet, maar ons wel duidelijk maakt dat herinnering en fantasie niet principieel gescheiden zijn. (Kersebloed, 1990)

Welke rol speelt fantasie in de roman over uw broer?

‘Eigenlijk wordt alles wat ik schrijf gekleurd door mijn verbeelding. Ik maak bij het schrijven dan ook niet zozeer onderscheid tussen fictie en non-fictie, als wel tussen literatuur en lectuur.’

U raakte in opspraak omdat u in de roman beschrijft hoe u de collectie porno, waaronder kinderporno, na de dood van uw broer verkoopt aan een handelaar.

‘Ik vind het onbegrijpelijk dat ik op het matje word geroepen over het waarheidsgehalte van bepaalde passages. En wat betreft interviews: ik vertel de waarheid in een interview, maar ik zal nooit mijn boek ontrouw worden, dan ondermijn je het.’

U ergert zich aanvankelijk aan uw broer, maar u schrijft ook met veel mededogen over hem. Had u het idee dat u hem moest sparen ten behoeve van zijn nagedachtenis?

‘Nee, zo ligt het niet. Zodra ik over hem begon te schrijven, werd hij een personage en ik kan niet over een personage schrijven zonder er empathie voor te hebben. Wat ook meespeelde: Ik heb sterk de wens gehad hem van een context te voorzien, omdat hij niemand gekend heeft. Ik heb niemand gekend die niet in gesprek was met andere mensen. Dat gaat je toch door je ziel? Hij heeft duizenden kattenbelletjes en snippers geschreven om met zichzelf in gesprek te blijven. Ik vond dat ook heel verrassend. Ik dacht: je hebt een eigen manier van schrijven uitgevonden. Ik heb een flinke lijst van die snippers geciteerd, omdat ik dacht: dat is niet mis wat hij allemaal te berde brengt over zichzelf. Je vraagt je af: voor wie?’

Ik dacht: dit is te goed om waar te zijn.

‘Nee, dit is een protovoorbeeld van la realité sur passe la fiction. Ik heb overwogen een fictief personage van hem te maken, maar hij brak er domweg doorheen.’

Ja, huilers kon je ons wel noemen, al huilden wij dan meestal stilletjes. Maar anders dan bij zeehondjes ontbrak het ons aan de vereiste schattigheid zodat die watervallen weinig opleverden. Dat kwam ook doordat wij nooit huilden om pijn, een harde val of ander concreet ongerief maar louter om ‘onzichtbare’ zaken zoals een inadequate bejegening, een gebroken belofte of ander geleden onrecht. We voelden ons snel verloren of in de steek gelaten. (Hvh, 2017)

Waarom begreep u uw broer zo goed als hij huilde?      

‘Wij gingen altijd op vakantie naar hotel Paasduin in Wijk aan Zee. ’s Avonds na het eten gingen mijn ouders naar café Bol. Wij, mijn broer, zus en ik, bleven dan in het hotel. Volgens mij was ik al een jaar of veertien – mijn zus mocht al met mijn ouders mee –  maar toen heb ik in het hotel alles bij elkaar gehuild. Het personeel kwam naar mijn kamer, maar kon mij met geen mogelijkheid troosten. Barend heeft een keer precies hetzelfde gehad. Ik mocht toen mee en hij bleef alleen achter. Toen we terugkwamen stond het hele hotel op stelten. We kwam de trap op en hoorden hem al erbarmelijk huilen. Toen hij ons hoorde, kwam hij zijn kamer uitgerend. Mijn moeder zei vol ontzetting: ‘Hij heeft toch geen kinderverlamming!’ Ik dacht: je begrijpt er echt helemaal niets van. Mijn broer en ik hadden soms last van existentiële huilbuien. Wees maar blij als je het kunt, denk ik nu, dan vindt het een uitweg.’

‘Bescheidenheit is eine Zier, doch weiter kommt man ohne ihr’ (Pappa).

‘Du Sublime au Ridicule il n’ya qu’un pas’ (de moeder). (De Markiezin, 1988)

 ‘U haalt deze citaten in meerdere boeken aan.

‘Deze twee citaten zijn vormend voor me geweest. Ik blijf er steeds weer naar terugkeren. Mijn moeder citeert Napoleon en lijkt iets tegen het sublieme te hebben. Het lijkt me niet meer dan normaal om het sublieme na te jagen. Mijn vader lijkt te zeggen dat je niet te terughoudend moet zijn en moet nastreven wat je belangrijk vindt in het leven.’

Bent u uw ouders ook op een of andere manier dankbaar voor de verhalen die ze u hebben gegeven?

‘Ik ben ze vooral dankbaar dat ze mij het leven hebben gegeven. Mooie verhalen hebben ze mij ook verteld, vooral mijn vader. Het is niet altijd vervelend geweest bij ons, hoor. Denk dat vooral niet. Mijn vader hield heel van mij. Ik was al zeven-en-een-half en mijn zusje tien toen Barend werd geboren. De boel was al gesetteld. Mijn broertje ervoer ik daardoor als de grote rustverstoorder, een indringer. Ik heb het van meet af aan verschrikkelijk gevonden; zo’n baby die krijst en alle aandacht opeist. Hij werd mijn moeders oogappel en ook mijn vader zag hem als de nieuwe stamhouder.’

Heeft u uw broer vergeven?

‘Ik hoefde hem niets te vergeven, want hij had mij niks misdaan.’

‘Bijna elke speurtocht die tot het eind toe wordt volbracht heeft iets teleurstellends. (..) Nooit rechtstreeks op je doel afstevenen en wegwezen voor je alles hebt achterhaald en benoemd, dat zijn zo’n beetje de huisregels uit mijn keukentje. (..) Bovendien blijft zo de drijfkracht voor een volgend boek bestaan.’ (Zeepijn, 1999)

‘Nou, daar ben ik het helemaal mee eens.’

Het zijn uw woorden. Is er nog genoeg over om te onderzoeken?

‘Natuurlijk, daar zal ik mijn leven lang niet mee klaarkomen. Daarom geloof ik niet dat er voltooide levens bestaan.’

‘Fictie raakt uit. (..) Is dat niet precies wat de lezer tegenwoordig van de schrijver wil? Jou wil hij. Met huid en haar. En niks minder dan dat. En zeker niks méér. Verder wil hij vooral, vooral geen spijt van je krijgen. Geef hem eens ongelijk.’ (Zeepijn, 1999)

Heeft de lezer u met huid en haar?

‘Na dit boek kun je dat misschien wel zeggen, ja. Maar mijn hart en ziel zijn er ook nog.’

De mens heeft tien gelukkige dingen: Een hond om uit te laten/Een vriendelijk gestemd huis/Twee haze-oren (..) maar voor al:/Iemand om thee mee te drinken. (Hazepeper, 1999)

 Beschikt u nu over al deze zaken?

‘Haze-oren heb ik helaas niet. En tegenwoordig drink ik geen thee meer. Ik drink iedere dag een glas champagne, dus ik zou het laatste vervangen door: iemand om champagne mee te drinken.’

Wow fantastic baby/I wanna dan dan dance/hi fantastic baby/dan dan dance

(..)is there more/fun dan rum/voor de stinkende/angst van het ik (LP Rikkelrak, 2017, luister hier)

Geeft u hiermee uitdrukking aan uw levenshouding?

‘Ik ben geboren met een vrolijke aard, maar ook met een neiging tot angst en melancholie.’

 

 

 

Charlotte Mutsaers; Harnas van hansaplast

FICTIE

Das Mag

312 blz.

20,99

 

Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen

Das Mag

9,99

 

Rikkelrak

(Vinyl, lp)

Das Mag

24,99


Latest post

Recensie Carolina Trujillo – Vrije Radicalen

Recensie Carolina Trujillo – Vrije Radicalen

Het Parool, Boeken 4 maart 2017

****

Uruguayaanse vrienden storten zich in het onheil

Dieuwertje Mertens

In Vrije radicalen, de vierde roman van Carolina Trujillo (1970), staat de vriendschap tussen Jaime Castro, die opgroeit aan de ‘goede kant van de snelweg’ in Montevideo (Uruguay) en straatjongen Gaston, ‘Gas’, centraal. Vrije radicalen zijn kleine, ongebonden deeltjes die vrijkomen als afvalstoffen van processen in en buiten het lichaam en die zich makkelijk hechten aan andere stoffen en op die manier schade kunnen toebrengen. De titel is een perfect gekozen metafoor voor de vriendschap tussen Jaime en Gaston.

Dat Trujillo graag ingrediënten uit haar eigen leven gebruikt om haar veelgeprezen romans zoals De terugkeer van Lupe Garcí­a (2011) mee te kleuren, is geen geheim. Ze werd geboren in Montevideo en kwam op zesjarige leeftijd als politiek vluchteling in Nederland terecht. De cultuurverschillen tussen Uruguay en Nederland, zelfdestructie en alcohol- en cocaïnegebruik zijn terugkerende thema’s in haar werk, ook in Vrije radicalen.

Hoofdpersonage Jaime heeft niets te verliezen: zijn jeugd is getekend door het wrede dictatoriale regime in Uruguay, waaronder hij zijn twee broers verloor bij een actie, zijn vader zich ophing aan de deurkruk van zijn gevangeniscel en zijn moeder zich dagelijks met medicatie drogeerde om het verdriet niet te voelen, tot deze troost haar fataal werd. Jeugdvriend Gas, die hij op de begrafenis van zijn vader ontmoet, is in wezen de enige stabiele factor in zijn leven.

Op zijn achttiende emigreert Jaime naar Amsterdam, waar hij later binnen de grachtengordel een succesvol leven leidt; ‘geslaagd als verslaggever, mislukt als mens’. Zijn bewondering gaat uit naar Gas, die ondertussen als strijder tegen onrecht, dierenleed en milieuvervuiling door het leven gaat. Jaime blijft hem ook vanuit Nederland opzoeken in zijn hut buiten Montevideo om deel te nemen aan acties en er reportages over te schrijven.

Ondanks alle ellende en gruwelijkheden die Jaime in zijn jeugd heeft doorstaan, is zijn verteltoon luchthartig, soms ironisch, maar nergens zwaarmoedig, wat zowel mededogen als bewondering voor het personage oproept. Hij beziet zijn leven met een zekere afstand. Trujillo is niet alleen stilistisch een begaafd schrijver, maar heeft ook werkelijk een (oorspronkelijk) verhaal te vertellen: bijna elke zin brandt van urgentie.

Halverwege het boek denk je: hier laat Trujillo een steek vallen, er is een hap uit het verhaal genomen. Dat blijkt (natuurlijk!) een strategische zet van de schrijver te zijn: Jaime wordt psychotisch en durft zijn huis niet meer uit. Een onbetrouwbare verteller biedt de mogelijkheid om alles op losse schroeven te zetten en een nieuw soort spanning in het verhaal te brengen. Jaime vraagt Gas om hem te komen helpen. Die besluit het bezoekje aan zijn vriend met het nuttige te verenigen en slikt bolletjes, zodat hij in Amsterdam inkomsten kan genereren. Bij Jaime thuis broedt hij tussen het dealen door op allerlei acties, waaronder een aanslag op de Miljonair Fair.

Gedurende de aanloop hiernaartoe verliest het verhaal, tussen waan en werkelijkheid, wat van z’n stuwende kracht: Trujillo heeft de gang naar de afgrond misschien wat te lang opgerekt. Maar de lezer is al verloren. Hij kan niet anders dan meegaan in Jaimes val en, tegen beter weten in, hopen op een zachte landing.

Lees hier een fragment uit Vrije Radicalen.