Dieuwertje Mertens journalist- redacteur- docent

Recent Posts

Boos en machteloos tegelijk

Boos en machteloos tegelijk

Het Parool, PS zaterdag 20 januari 2018 De gruwelen in de wereld Dieuwertje Mertens De dichtbundels die Remco Campert (1929) de afgelopen jaren uitbracht, stonden in het teken van zijn naderend afscheid, maar in Open ogen dringt ook de actualiteit de bundel binnen: de dichter […]

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Over taal vs. terreur Frank Westerman meets Mohsin Hamid tijdens Writers Unlimited in Den Haag. Gespreksleider: Chris Keulemans. Kan taal een oplossing bieden bij geweld? Oftewel: kan een pen een wapen zijn? Deze vraag is zo idealistisch en naïef, dat de setting waarin hij gesteld […]

‘In America, you are black, baby’

‘In America, you are black, baby’

Kritische blik op de verhouding tussen blank en zwart in Amerika

Dieuwertje Mertens

Ifemelu keert na dertien jaar in Nigeria als Americanah (zo worden de ‘veramerikaanste’ Nigerianen genoemd die na een verblijf in de VS terugkeren), waar haar jeugdliefde Obinze na een mislukte immigratiepoging woont. De gelijknamige roman van de Nigeriaanse succesauteur Chimamanda Ngozi Adichie (1977) die zelf aan Yale University studeerde, laat zich niet alleen lezen als een verhaal over liefde en migratie, maar is tevens een scherpe cultuurkritiek.

Met de blik van buitenstaander neemt Ifemelu de verhoudingen tussen de blanke en zwarte Amerikanen en die van de verschillende klassen in Nigeria onder de loep. Dat doet ze onder meer via haar blog: ‘Raceteenth or Various Observations About American Blacks (Those Formerly Known as Negroes) by a Non-American Black’.

Zodra je in Amerika komt, ben je niet langer Nigeriaan, Jamaicaan of Ghanees. ‘In America, you are black, baby.’ Ook als je in het land van herkomst niet als zwart werd gezien. Vergeet je komaf, blogt Ifelmu: ook al groeide je op met de privileges van een blanke, nu ben je zwart. En dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee, zoals: voel je snel gediscrimineerd, ook al voel je je niet gediscrimineerd en blijf uit de buurt van crime scenes; je voldoet al snel aan het profiel van de dader[1].

Adichie heeft een groot talent voor het aan de dag leggen van misverstanden, verdekt racisme, (goedbedoeld) paternalisme en verborgen vooroordelen. Ze schrijft met humor, zonder te moraliseren, maar ook zonder te bagatelliseren. Het is juist die toon, die Americanah aantrekkelijk maakt.

Met name in de goed opgetekende dialogen komt naar voren hoe mensen worstelen met politieke correctheden en verborgen vooroordelen. Onvergetelijk zijn de gesprekken die Ifemelu voert op een feestje bij het blanke, welgestelde gezin bij wie ze op de kinderen past tijdens haar studie. De vrouw des huizes stelt haar voor als ‘Ifemelu uit Nigeria, oppas en vriendin’. Het nadrukkelijke ‘vriendin’ voelt al een beetje ongemakkelijk gezien de verstandhouding tussen die twee. Maar dan de enthousiaste reacties van de (louter blanke) genodigden: een stel is op een safari in Tanzania geweest, ze betalen nu de studie van de dochter van die ‘fantastische gids’, twee vrouwen doneren met liefde aan een kindertehuis in Botswana en een ander zit in het bestuur van een ontwikkelingsorganisatie in Ghana. Ifemelu voelt zich opgelaten en wenst op dat moment vurig aan de andere kant te staan: niet die van de ontvangende, maar van de gevende partij.[2]

Toch heeft Ifemelu het niet slecht voor elkaar: Ze studeert in Amerika, krijgt een goede baan en genereert een inkomen via haar succesvolle blog over ras, identiteit en afkomst. Kortom: ze leeft the American dream. Daartegenover staat het verhaal van haar jeugdliefde Obinze, die naar Londen gaat, in de illegaliteit belandt, door de immigratiedienst wordt opgepakt en op het vliegtuig terug naar Nigeria wordt gezet, waar hij uiteindelijk rijk wordt met vastgoed.

Draait het in Amerika vooral om het verschil tussen zwart en blank en het ontkennen van dat verschil, terug in het corrupte Nigeria worden de verschillen tussen de klassen benadrukt. Er blijkt een nieuwe economisch welvarend klasse opgestaan. Veel mensen met geld zijn corrupt en degenen zonder geld veelal bereid om corrupt te worden. Maar het is voornamelijk de positie van vrouwen die Ifemelu verwondert en frustreert: Een hoop Nigeriaanse vrouwen  van haar leeftijd zijn wanhopig op zoek naar een man en in de tussentijd zijn ze bijvrouw van welgestelde mannen in ruil voor geld en cadeaus.

Ifemelu, die in Amerika een transformatie heeft doorgemaakt, weet niet goed hoe ze zich tot haar nieuwe omgeving en Obinze moet verhouden. Wie is ze? En: In hoeverre wil ze zich aanpassen aan haar nieuwe omgeving? Ze blijkt eigenzinnig genoeg om er haar eigen draai aan te geven.

Americanah is een van de romans die aan bod komt bij de cursus De ander, over migratie en minderheden in de hedendaagse literatuur, die ik zal geven bij Het Literatuurhuis in Utrecht. De cursus begint op 6 maart. Je kunt je nog inschrijven via Het Literatuurhuis.

 

Chimamanda Ngozi Adichie; Americanah

Fiction

Anchor Books

588 blz.

(Dit boek is ook in Nederlandse vertaling verkrijgbaar, uitgegeven bij De Bezige Bij)

 

 

[1] Blz. 273

[2] Blz. 209

De kwetsbaarheid van de dingen

De kwetsbaarheid van de dingen

Het Parool, PS boeken 6 januari 2017 Dieuwertje Mertens In haar goed ontvangen debuut Papieren veulens (2013) schept Hanneke van Eijken (1981) een sprookjesachtige wereld met een scherp randje. Ook de opvolger Kozijnen van krijt is op het eerste gezicht een lieve bundel vol beelddronken […]

De beste boeken van 2017

De beste boeken van 2017

Het Parool, PS donderdag 28 december 2017 Zo’n eindejaarslijstje met de beste boeken, exposities en films van 2017 slaat natuurlijk nergens op. Ik schrijf over fictie en poëzie, dus ik moet appels met peren vergelijken. Bovendien heb ik bij lange na niet alles gelezen om […]

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

Het Parool, PS 4 november 2017

Dieuwertje Mertens

Schrijver en kunstenaar Charlotte Mutsaers werd afgelopen donderdag 75 jaar. Volgende week zaterdag viert ze Het Grote Charlotte Mutsaers Verjaardagsfeest in de Rode Hoed. Daar presenteert ze tevens haar roman Harnas van hansaplast, Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen en de lp Rikkelrak, waarop ze haar gedichten zingend voordraagt op muziek van Louis Gauthier. Dieuwertje Mertens legde haar citaten uit haar oeuvre voor.

 

Haar jeugd is een van de vele terugkerende thema’s in haar oeuvre: het grachtenpand waar ze opgroeide, haar eigenzinnige ouders die haar maar zo zelden knuffelden, de autoritaire opvoeding en de moeizame relatie met haar moeder. In haar nieuwe roman Harnas van hansaplast schrijft ze nu ook over haar broer Barend, die op 51-jarige leeftijd dood in bed werd aangetroffen ‘in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek, omringd door stapels porno’. Hij leidde een afgezonderd bestaan in hun ouderlijk huis in Utrecht. Samen met haar zus ontruimt ze zijn huis. Ze komt van alles over haar broer te weten.

 

Jarenlang heb ik getracht een boek over mijn broer te schrijven, maar ik kreeg het niet uit mijn pen. Grote lappen tekst zagen het levenslicht en werden met onevenredige snelheid weer verworpen. Dat had alles te maken met de spreuk die er op het gymnasium bij ons was in gehengst (..) over de doden niets dan goeds. (Hvh, 2017)

Wat maakte dat u na zestien jaar wel over uw broer kon schrijven?

‘Het duurt vaak heel lang voor ik een ingang voor een boek heb. Bij dat boek ging dat extreem moeilijk. Meteen toen ik bij mijn nieuwe uitgeverij Das Mag kwam, heb ik echter een heel stimulerend gesprek gehad over het voornemen een boek over mijn broer te schrijven. Dat heeft mij enorm geholpen. Soms heb je gewoon een redacteur nodig die de juiste vragen stelt.’

Zelfs alles wat zogenaamd ontspruit aan de fantasie blijkt in werkelijkheid ook al klaar te liggen om gewekt en uitgepakt te worden, zo ongeveer als Lazarus, wat een begrip als fictie nog niet op losse schroeven zet, maar ons wel duidelijk maakt dat herinnering en fantasie niet principieel gescheiden zijn. (Kersebloed, 1990)

Welke rol speelt fantasie in de roman over uw broer?

‘Eigenlijk wordt alles wat ik schrijf gekleurd door mijn verbeelding. Ik maak bij het schrijven dan ook niet zozeer onderscheid tussen fictie en non-fictie, als wel tussen literatuur en lectuur.’

U raakte in opspraak omdat u in de roman beschrijft hoe u de collectie porno, waaronder kinderporno, na de dood van uw broer verkoopt aan een handelaar.

‘Ik vind het onbegrijpelijk dat ik op het matje word geroepen over het waarheidsgehalte van bepaalde passages. En wat betreft interviews: ik vertel de waarheid in een interview, maar ik zal nooit mijn boek ontrouw worden, dan ondermijn je het.’

U ergert zich aanvankelijk aan uw broer, maar u schrijft ook met veel mededogen over hem. Had u het idee dat u hem moest sparen ten behoeve van zijn nagedachtenis?

‘Nee, zo ligt het niet. Zodra ik over hem begon te schrijven, werd hij een personage en ik kan niet over een personage schrijven zonder er empathie voor te hebben. Wat ook meespeelde: Ik heb sterk de wens gehad hem van een context te voorzien, omdat hij niemand gekend heeft. Ik heb niemand gekend die niet in gesprek was met andere mensen. Dat gaat je toch door je ziel? Hij heeft duizenden kattenbelletjes en snippers geschreven om met zichzelf in gesprek te blijven. Ik vond dat ook heel verrassend. Ik dacht: je hebt een eigen manier van schrijven uitgevonden. Ik heb een flinke lijst van die snippers geciteerd, omdat ik dacht: dat is niet mis wat hij allemaal te berde brengt over zichzelf. Je vraagt je af: voor wie?’

Ik dacht: dit is te goed om waar te zijn.

‘Nee, dit is een protovoorbeeld van la realité sur passe la fiction. Ik heb overwogen een fictief personage van hem te maken, maar hij brak er domweg doorheen.’

Ja, huilers kon je ons wel noemen, al huilden wij dan meestal stilletjes. Maar anders dan bij zeehondjes ontbrak het ons aan de vereiste schattigheid zodat die watervallen weinig opleverden. Dat kwam ook doordat wij nooit huilden om pijn, een harde val of ander concreet ongerief maar louter om ‘onzichtbare’ zaken zoals een inadequate bejegening, een gebroken belofte of ander geleden onrecht. We voelden ons snel verloren of in de steek gelaten. (Hvh, 2017)

Waarom begreep u uw broer zo goed als hij huilde?      

‘Wij gingen altijd op vakantie naar hotel Paasduin in Wijk aan Zee. ’s Avonds na het eten gingen mijn ouders naar café Bol. Wij, mijn broer, zus en ik, bleven dan in het hotel. Volgens mij was ik al een jaar of veertien – mijn zus mocht al met mijn ouders mee –  maar toen heb ik in het hotel alles bij elkaar gehuild. Het personeel kwam naar mijn kamer, maar kon mij met geen mogelijkheid troosten. Barend heeft een keer precies hetzelfde gehad. Ik mocht toen mee en hij bleef alleen achter. Toen we terugkwamen stond het hele hotel op stelten. We kwam de trap op en hoorden hem al erbarmelijk huilen. Toen hij ons hoorde, kwam hij zijn kamer uitgerend. Mijn moeder zei vol ontzetting: ‘Hij heeft toch geen kinderverlamming!’ Ik dacht: je begrijpt er echt helemaal niets van. Mijn broer en ik hadden soms last van existentiële huilbuien. Wees maar blij als je het kunt, denk ik nu, dan vindt het een uitweg.’

‘Bescheidenheit is eine Zier, doch weiter kommt man ohne ihr’ (Pappa).

‘Du Sublime au Ridicule il n’ya qu’un pas’ (de moeder). (De Markiezin, 1988)

 ‘U haalt deze citaten in meerdere boeken aan.

‘Deze twee citaten zijn vormend voor me geweest. Ik blijf er steeds weer naar terugkeren. Mijn moeder citeert Napoleon en lijkt iets tegen het sublieme te hebben. Het lijkt me niet meer dan normaal om het sublieme na te jagen. Mijn vader lijkt te zeggen dat je niet te terughoudend moet zijn en moet nastreven wat je belangrijk vindt in het leven.’

Bent u uw ouders ook op een of andere manier dankbaar voor de verhalen die ze u hebben gegeven?

‘Ik ben ze vooral dankbaar dat ze mij het leven hebben gegeven. Mooie verhalen hebben ze mij ook verteld, vooral mijn vader. Het is niet altijd vervelend geweest bij ons, hoor. Denk dat vooral niet. Mijn vader hield heel van mij. Ik was al zeven-en-een-half en mijn zusje tien toen Barend werd geboren. De boel was al gesetteld. Mijn broertje ervoer ik daardoor als de grote rustverstoorder, een indringer. Ik heb het van meet af aan verschrikkelijk gevonden; zo’n baby die krijst en alle aandacht opeist. Hij werd mijn moeders oogappel en ook mijn vader zag hem als de nieuwe stamhouder.’

Heeft u uw broer vergeven?

‘Ik hoefde hem niets te vergeven, want hij had mij niks misdaan.’

‘Bijna elke speurtocht die tot het eind toe wordt volbracht heeft iets teleurstellends. (..) Nooit rechtstreeks op je doel afstevenen en wegwezen voor je alles hebt achterhaald en benoemd, dat zijn zo’n beetje de huisregels uit mijn keukentje. (..) Bovendien blijft zo de drijfkracht voor een volgend boek bestaan.’ (Zeepijn, 1999)

‘Nou, daar ben ik het helemaal mee eens.’

Het zijn uw woorden. Is er nog genoeg over om te onderzoeken?

‘Natuurlijk, daar zal ik mijn leven lang niet mee klaarkomen. Daarom geloof ik niet dat er voltooide levens bestaan.’

‘Fictie raakt uit. (..) Is dat niet precies wat de lezer tegenwoordig van de schrijver wil? Jou wil hij. Met huid en haar. En niks minder dan dat. En zeker niks méér. Verder wil hij vooral, vooral geen spijt van je krijgen. Geef hem eens ongelijk.’ (Zeepijn, 1999)

Heeft de lezer u met huid en haar?

‘Na dit boek kun je dat misschien wel zeggen, ja. Maar mijn hart en ziel zijn er ook nog.’

De mens heeft tien gelukkige dingen: Een hond om uit te laten/Een vriendelijk gestemd huis/Twee haze-oren (..) maar voor al:/Iemand om thee mee te drinken. (Hazepeper, 1999)

 Beschikt u nu over al deze zaken?

‘Haze-oren heb ik helaas niet. En tegenwoordig drink ik geen thee meer. Ik drink iedere dag een glas champagne, dus ik zou het laatste vervangen door: iemand om champagne mee te drinken.’

Wow fantastic baby/I wanna dan dan dance/hi fantastic baby/dan dan dance

(..)is there more/fun dan rum/voor de stinkende/angst van het ik (LP Rikkelrak, 2017, luister hier)

Geeft u hiermee uitdrukking aan uw levenshouding?

‘Ik ben geboren met een vrolijke aard, maar ook met een neiging tot angst en melancholie.’

 

 

 

Charlotte Mutsaers; Harnas van hansaplast

FICTIE

Das Mag

312 blz.

20,99

 

Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen

Das Mag

9,99

 

Rikkelrak

(Vinyl, lp)

Das Mag

24,99

‘Zullen wij in de hemel komen?’

‘Zullen wij in de hemel komen?’

Het Parool, 3 november 2017 Dieuwertje Mertens Met haar derde roman, Hoor nu mijn stem, is Franca Treur (1979) terug in het Zeeland uit haar succesdebuut Dorsvloer vol confetti. In haar vorige roman, De woongroep, haalde ze een navelstaarderige, Amsterdamse yup uit haar comfortzone, wat […]

Theater van wreedheid en van veiligheid

Theater van wreedheid en van veiligheid

Zuivering: Tom Lanoye schrijft roman over angst in Europa In zijn nieuwe roman schetst Tom Lanoye de gevolgen van angst en paranoia voor de samenleving. Terreur krijgt de overhand. ‘Onderweg naar het station telde ik vandaag acht zwaarbewapende militairen.’   Dieuwertje Mertens Halverwege het gesprek […]

‘I am a tree’

‘I am a tree’

Black Literature en blondje meisjes

‘Wie mag ik helpen?’ vroeg de barman. Hij keek beurtelings van mij naar de zwarte man in pak naast mij. ‘Ik ben aan de beurt,’ zei de man en hij bestelde een chardonnay. Ik was er vrijwel zeker van dat ik aan de beurt was, maar liet hem voorgaan uit angst voor ‘racist’ te worden versleten. Op dit festival Read my World, Black USA was ik toch een soort outsider. Ik moest denken het vermanende gedicht op de poster van het Liliane Fonds die vroeger bij mijn opa en oma op het toilet hing: ‘als ik ziek ben, ben ik zwart/als ik het koud heb, ben ik zwart (..) als jij in de zon ligt, ben je bruin/als jij kwaad bent, ben je rood (..) en toch noem je mij een kleurling’. Ik geloof dat er een foto van lachende Afrikaanse kinderen naast het gedicht stond die me recht in het gezicht aankeken, terwijl ik met een rood hoofd op de pot zat. Het had me altijd een ongemakkelijk gevoel gegeven. Het was me aan te rekenen die witte huid.

In de zaal speelde een band The funky organizers. De zangeres was een bleke afro die omringd werd door een groep nerdy muzikanten, allemaal jongens die ook voor gamers konden doorgaan, behalve de blonde drummer met dreads tot op z’n billen. Langzaam druppelde het publiek binnen dat gemêleerd was, maar redelijk gesegregeerd een plek koos. Het ritme werd opgevoerd en de saxofonist met stramme heupen ging muzikaal helemaal los. Het was van een ontroerende contradictie. De black community van gastschrijvers op de eerste rij stond op en swingde de pan uit. De blonde meisjes in de zaal bleven zitten met samengeknepen billen en hun plastic bekertjes met drank nuffig in de lucht. Een van de curatoren, Maurice Carlos Ruffin, zei: ‘Dat is nou black joy! We enjoy life!’ Wij bleekschetige grietjes hadden daar alcohol voor nodig.  De verschillen kwamen niet alleen voort uit ons schandelijke verleden, maar waren ook ontstaan door de talige, geografische en economische omstandigheden, vertelde Ruffin.

Babs Gons gaf een ode aan Toni Morisson die haar voorbeeld was geweest in een wereld vol oude, witte mannelijke auteurs. De meisjes in haar keukenkastje hadden blond haar en blauwe ogen: de meisjes op de Brinta-verpakking, de Shampoofles.. Nooit waren ze donker en hadden ze kroeshaar.

‘Er bestaan ‘dominant narratives about blackness’.Maar er moet ruimte komen voor nieuwe ‘narratives about blackness’’, zei Ruffin. Daar moest dit festival aan bijdragen.

De twee curatoren gaven aan dat ze de gastschrijvers hadden geselecteerd op basis van  diversiteit, want ‘Black USA’ bestond natuurlijk niet, alsof het allemaal een pot nat was. En belangrijker nog: ze hadden gekozen voor schrijvers ‘who love black people’. Ik dacht aan een passage uit Americanah van Chimananda Ngozi Adichie, waarin de Nigeriaanse Ifelmu ‘Mariama African Hair Braiding’ bezoekt. Als ze vertelt dat ze uit Nigeria komt, lacht een van vrouwen in de kapsalon naar haar, ‘a smile that, in its warm knowingness, said welcome to a fellow African: she would not smile at an American in he same way.’

De gastschrijvers op het festival introduceerden zichzelf aan het publiek. Identiteit leek het belangrijkste thema in hun werk te zijn. Ik kreeg de indruk dat het allemaal nog pril was, een aantal auteurs was nog niet gedebuteerd, toch waren ze al een belangrijke stem in Black literature. Ze stonden aan de vooravond van iets wat nog veel groter zou worden.

Dichter en performer Morgan Parker droeg het gedicht All they want is my money, my pussy, my blood voor. Ze besloot met: ‘I am being set up./I am a tree and some fruits are good and some are bad.’ Die zin galmde nog even na in mijn hoofd. Samen waren we een heel bos.

 

 

 

Literaire wereld wordt voorzichtiger en harder

Literaire wereld wordt voorzichtiger en harder

Het Parool, PS Zaterdag 30 september 2017 Een optreden bij DWDD, een succesvolle blog, lovende recensies: om je boek aan de man brengen lijkt steeds meer nodig te zijn. En wat doe je als je eerste drie niet verkopen? ‘Niet iedereen kan doorgaan.’ Dieuwertje Mertens, […]

‘Als een moeder sorry zegt’

‘Als een moeder sorry zegt’

Het Parool, zaterdag 23 september 2017 Recensie Ronelda S. Kamfer – Mammie Dieuwertje Mertens In Mammie dicht de Zuid-Afrikaanse dichter Ronelda S. Kamfer (1981) over haar onlangs overleden moeder en hoe het haarzelf en haar omgeving sindsdien vergaat. Dat doet ze op openhartige wijze en […]

‘Er wordt bijna nooit serieus over religie geschreven’

‘Er wordt bijna nooit serieus over religie geschreven’

Het Parool, zaterdag 16 september 2017

Recensie Maarten van der Graaff – Wormen en Engelen

Dieuwertje Mertens

‘Een jeugd op het platteland, in de gereformeerde kerk, gevolgd door de trek naar de stad. (…) Het is een bekend Nederlands recept: verwijdering van ouders en familie, heimwee vermengd met triomf, ontluikend kunstenaarschap (onbegrepen in de oude kring). Dan dient een nieuwe familie van interessante vrienden en geliefden zich aan, seksuele emancipatie en opwaartse mobiliteit volgen, gesymboliseerd door muziek, feesten, romans, exposities, films. De ontwikkeling richting een groter individualisme is voltooid.’

Dichter Maarten van der Graaff (1987) ziet welke clichés er op de loer liggen in Wormen en engelen, waarin verteller Bram Korteweg een dergelijk pad bewandelt. Toch is zijn debuutroman maatschappelijk relevant en volstrekt origineel. Een prestatie, des te meer omdat er ook wel wat af te dingen valt op deze coming of age van de navelstaarderige student die reflecteert op zijn relatie met het christendom.

Bram is net als de auteur opgegroeid in een kleine gemeenschap op Goeree-Overflakkee. Hij gaat kunstgeschiedenis studeren in Utrecht, waar zijn oude ‘ik’ in botsing komt met zijn nieuwe identiteit. Zijn vriend Felix en geliefde Lena nemen hem mee in het uitgaansleven en laten hem een andere wereld zien.

Bij de oecumenische theologische werkgroep Uterque vindt Bram de vrijheid om over religie te spreken, zonder dat hij geridiculiseerd wordt. Een religieuze opvoeding is geen ‘aangeleerd kunstje’ dat je zomaar van je afschudt.

De compositorisch rommelig opgezette roman bestaat uit losse anekdotes over Brams jeugd, Uterque, een liefdesrelatie omgeven door veel studentikoos geneuzel, mailcorrespondenties met christelijke vrienden. Van der Graaff lijkt aanvankelijk nog zoekende naar een fijne schrijfstijl: hij combineert steekwoorden met breedsprakigheid en heeft weleens moeite met het vinden van treffende formuleringen, wat zich soms uit in ongelukkige frases als ‘het onlogische van seks’. Een paar hoofdstukken later is hij echter stilistisch op dreef en neemt hij de lezer mee op een oprechte en intelligente zoektocht naar religieuze identiteit.

Van der Graaff weeft een indrukwekkende hoeveelheid kennis over theologie door het verhaal, zonder dat hij nadrukkelijk ‘de intellectueel’ probeert uit te hangen. Hij is openhartig over het zoekende karakter van zijn roman. Bram zegt op een gegeven moment: ‘Het maakt uit of en aan wie je een verhaal vertelt. Zowel jouw leven als dat van de ander zal erdoor veranderen’. En even later: ‘Er wordt bijna nooit serieus over religie geschreven. Op een complexe manier. Ook niet in fictie trouwens.’ Bij deze.
Wormen en engelen lees je niet voor het superplot, maar wel om op een meer genuanceerde manier naar religie te kijken en nieuwe inzichten op te doen.

fictie; Maarten van der Graaff, Wormen en engelen, Atlas Contact
****

 


Latest post

Recensie Carolina Trujillo – Vrije Radicalen

Recensie Carolina Trujillo – Vrije Radicalen

Het Parool, Boeken 4 maart 2017

****

Uruguayaanse vrienden storten zich in het onheil

Dieuwertje Mertens

In Vrije radicalen, de vierde roman van Carolina Trujillo (1970), staat de vriendschap tussen Jaime Castro, die opgroeit aan de ‘goede kant van de snelweg’ in Montevideo (Uruguay) en straatjongen Gaston, ‘Gas’, centraal. Vrije radicalen zijn kleine, ongebonden deeltjes die vrijkomen als afvalstoffen van processen in en buiten het lichaam en die zich makkelijk hechten aan andere stoffen en op die manier schade kunnen toebrengen. De titel is een perfect gekozen metafoor voor de vriendschap tussen Jaime en Gaston.

Dat Trujillo graag ingrediënten uit haar eigen leven gebruikt om haar veelgeprezen romans zoals De terugkeer van Lupe Garcí­a (2011) mee te kleuren, is geen geheim. Ze werd geboren in Montevideo en kwam op zesjarige leeftijd als politiek vluchteling in Nederland terecht. De cultuurverschillen tussen Uruguay en Nederland, zelfdestructie en alcohol- en cocaïnegebruik zijn terugkerende thema’s in haar werk, ook in Vrije radicalen.

Hoofdpersonage Jaime heeft niets te verliezen: zijn jeugd is getekend door het wrede dictatoriale regime in Uruguay, waaronder hij zijn twee broers verloor bij een actie, zijn vader zich ophing aan de deurkruk van zijn gevangeniscel en zijn moeder zich dagelijks met medicatie drogeerde om het verdriet niet te voelen, tot deze troost haar fataal werd. Jeugdvriend Gas, die hij op de begrafenis van zijn vader ontmoet, is in wezen de enige stabiele factor in zijn leven.

Op zijn achttiende emigreert Jaime naar Amsterdam, waar hij later binnen de grachtengordel een succesvol leven leidt; ‘geslaagd als verslaggever, mislukt als mens’. Zijn bewondering gaat uit naar Gas, die ondertussen als strijder tegen onrecht, dierenleed en milieuvervuiling door het leven gaat. Jaime blijft hem ook vanuit Nederland opzoeken in zijn hut buiten Montevideo om deel te nemen aan acties en er reportages over te schrijven.

Ondanks alle ellende en gruwelijkheden die Jaime in zijn jeugd heeft doorstaan, is zijn verteltoon luchthartig, soms ironisch, maar nergens zwaarmoedig, wat zowel mededogen als bewondering voor het personage oproept. Hij beziet zijn leven met een zekere afstand. Trujillo is niet alleen stilistisch een begaafd schrijver, maar heeft ook werkelijk een (oorspronkelijk) verhaal te vertellen: bijna elke zin brandt van urgentie.

Halverwege het boek denk je: hier laat Trujillo een steek vallen, er is een hap uit het verhaal genomen. Dat blijkt (natuurlijk!) een strategische zet van de schrijver te zijn: Jaime wordt psychotisch en durft zijn huis niet meer uit. Een onbetrouwbare verteller biedt de mogelijkheid om alles op losse schroeven te zetten en een nieuw soort spanning in het verhaal te brengen. Jaime vraagt Gas om hem te komen helpen. Die besluit het bezoekje aan zijn vriend met het nuttige te verenigen en slikt bolletjes, zodat hij in Amsterdam inkomsten kan genereren. Bij Jaime thuis broedt hij tussen het dealen door op allerlei acties, waaronder een aanslag op de Miljonair Fair.

Gedurende de aanloop hiernaartoe verliest het verhaal, tussen waan en werkelijkheid, wat van z’n stuwende kracht: Trujillo heeft de gang naar de afgrond misschien wat te lang opgerekt. Maar de lezer is al verloren. Hij kan niet anders dan meegaan in Jaimes val en, tegen beter weten in, hopen op een zachte landing.

Lees hier een fragment uit Vrije Radicalen.