Recent Posts

Lekker fietsen

Lekker fietsen

Gedichten van mensen met een verstandelijke handicap Één van de leukste albums die de afgelopen jaren is verschenen is De speeldoos ( 1 en 2) van Roos Rebergen en Torre Florim, waarop een aantal fantastische nummers staan met liedteksten die afkomstig zijn van mensen met […]

Hebben vrouwen Herman Stevens nodig?

Hebben vrouwen Herman Stevens nodig?

Het Parool, PS Boeken, zaterdag 12 mei 2018 Essays: 100 jaar vrouwenhaat in de literatuur ‘De beste tijd voor vrouwen komt nog’ In de essaybundel Het sterke geslacht breekt schrijver Herman Stevens een lans voor vrouwen in de literatuur. Maar hij blijft wel erg dicht […]

Nog niet moegestreden

Nog niet moegestreden

Het Parool, PS Boeken, 21 april 2018

Ras blijft de grote verdeler

Dieuwertje Mertens

Donderdag nam Antjie Krog de Gouden Ganzenveer in ontvangst. In de nu verschenen selectie essays Hoe alles verandert reflecteert ze op het complexe, moderne Zuid-Afrika.

‘Nur die Hoffnung kauert’ (alleen de hoop krimpt ineen, vrij naar het gedicht Früher Mittag van Ingeborg Bachman), schreef Antjie Krog (1952) voorin mijn exemplaar van Medeweten, nadat ik haar in 2015 had geïnterviewd over haar pogingen om de kloof tussen haarzelf en de ander te dichten. Toch is ze nog niet moegestreden of -geschreven, hoewel ze in haar Zuid-Afrika steeds opnieuw ondervindt hoe ras de grote verdeler is.

Donderdag nam ze de Gouden Ganzenveer 2018 in ontvangst voor haar ‘grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal’. Ook verscheen Hoe alles hier verandert, een selectie van de essays uit het geëngageerde drieluik De kleur van je hart (2000), Een andere tongval (2006) en Niets liever dan zwart (2010). In deze essays, die je parallel zou moeten lezen aan haar gedichten, reflecteert Krog op het complexe moderne Zuid-Afrika.

In het voorwoord beschrijft Krog hoe ze samen met haar moeder luistert naar Die Winterreise van Schubert, gezongen door tenor Peter Anders. Ze constateert dat deze opname ‘treffend tientallen jaren van smart omspant, en zich uitstrekt tot aan ons kwijnende bestaan, dat door een bredere mate van rechtvaardigheid in verval raakte’. Deze treurige observatie vat de ontwikkeling samen die ze in haar essays de afgelopen jaren heeft omschreven. Ze laat zien wat er met het land gebeurde na de bevrijding van Nelson Mandela, die tegen de apartheid streed. Ze put daarbij uit een breed scala aan ervaringen als journalist, docent, antiapartheidsactivist en witte Afrikaner uit een boerenfamilie.

Nieuwe zwarte elite

Ook na Mandela blijft ras de grote verdeler. Bij een bezoek aan haar geboortestad Kroonstad bemerkt Krog hoe er een nieuwe zwarte elite is opgestaan, terwijl de witten verarmd en ‘ontmenselijkt’ zijn. Haar broers, die de boerderij runnen, zijn angstig en bewapend, beducht op indringers – de afgelopen maanden zijn negentien boeren vermoord.

Krog ziet gespannen haar veertigste, maar eerste ‘gemengde’ verjaardagsfeest tegemoet – en inderdaad; er zijn zwarte en witte vrienden die rechtsomkeert maken, omdat ze aan de auto’s zien dat er ‘andere rassen’ op het feest zijn. Toch wordt het wonderwel een geslaagd feest. Wonderwel, omdat ze ook steeds weer ondervindt hoe ras een kloof slaat tussen haar en haar (zwarte of gekleurde) vrienden.

Jouw gemakkelijke ‘witte hokje’

Dat laat ze bijvoorbeeld zien in het essay Discussiëren is onmogelijk in dit land. Krog bezoekt haar vriend Sheridan Jooste, tevens een oud-collega met wie ze lesgaf op de middelbare school voor ‘bruinkinders’ in Kroonstad. Hij is nu directeur van een zwarte school. In een politieke discussie met een collega zegt hij: ‘Nu pas worden we wakker en beseffen we dat je de blanken er niet zo makkelijk toe krijgt dat ze afstand doen van hun macht. (..) We hebben hier niet te maken met echte medeburgers. Blanken genieten universele onschendbaarheid van hun blanke huid.’ En dat raakt Krog: ‘Jij, Sheridan Jooste, bent samen met mij weggerend voor de kogels van de Zuid-Afrikaanse politie en toch zet jij me liever terug in jouw gemakkelijke “witte hokje”. Als ik een stereotiepe blanke ben, dan kun jij om de problemen rond goede en slechte witten en goede en slechte zwarten heen. Je kunt moeilijke morele beslissingen uit de weg gaan en je met een zuiver geweten inzetten voor je burgerlijke eigenbelang.’ Ze vindt het direct ook heel erg wat ze zegt.

Verjij-en

Dat grote zelfbesef, in combinatie met de frustratie door het onrecht dat zij en haar vriend elkaar in zo’n discussie aandoen, is kenmerkend voor Krog. “We denken dat we een goed mens zijn, maar we zijn een racist,” zei ze tijdens het interview in 2015. Je hoeft er maar een dicht- of essaybundel op na te slaan om te weten hoe zwaar dat besef weegt voor Krog.

Waarom zijn we zo verdeeld? Krog ziet een verschil in beleving van de ‘ik’ van de zwarte en de witte bevolking. Witte mensen zijn doorgeslagen in hun individualisme. De enige manier om de kloof tussen zwart en wit te dichten is tot een gezamenlijk soort ‘ik’ te komen, zoals de Afrikaanse filosofie Ubuntu voorschrijft (‘ik ben omdat wij zijn’). Volgens de dichter is het onze plicht om de ander te wórden. Daar dicht ze over in Om te verjij-en (in: Medeweten), een van haar mooiste gedichten: ‘(..) je onbedwingbare adem/ maak van ons/ mettertijd/ zwaartekracht talmend lichthoofdig/ Jij als ik weet dat ik wij ben (..)’

Door de taal hardop te verklanken, krijgen woorden hun ware betekenis. Voordracht is altijd een van de belangrijkste pijlers van het werk van Krog geweest. Ze verwoordt dat ook in Dichter wordende (Wat de sterren zeggen, 2004):

Dichter wordende

op een ochtend word je wakker midden in klank

met vocaal en klinker diftong als voelspriet

om met aarzelende zorg de lichtste beroering

van licht en verlies in klank te ijken

 

om jezelf onmiddellijk geknield te vinden

boven de hoorbaar kloppende wand

van een woord – zoekend naar het precieze

ogenblik waarop een versregel volloopt in klank

 

wanneer de betekenis van een woord zwicht,

begint te glijden en zich eindelijk overgeeft aan geluid

van dat ogenblik af smacht het bloed naar incantantie

van taal – de enige waarheid staat geveld in klank

 

de dichter dicht met haar tong

zij haalt adem – ja, diep uit haar oor

 

Maar Krog ervaart ook hoe taal en waarheid soms niet toereikend zijn. In een essay in Hoe alles hier verandert beschrijft ze een bezoek aan een ziekenhuis aan de Oost-Kaap, waar Zuid-Afrikaanse artsen niet willen werken vanwege de uitzichtloze situatie.

Ze schildert de wanhoop en uitzichtloosheid van de tb-patiënten met aids in de vrouwenvleugel. In een van de bedden ligt een broodmagere vrouw: ‘Zwart been gesplinterd. Geen behoefte aan taal. Alleen adem om het zieke bloed rond te laten gaan. (..) Dit is het einde van de wereld. En ik heb niks om ergens zin aan te geven. (..) Mijn longen zoeken radeloos naar een woord om uit te ademen… zoals appel en getralied licht. Ze voor een laatste keer te baden in een wereld die mooier is dan dromen.’

Met zulke zinnen heft ze het verschil tussen een essay en een gedicht op. Hoewel de dichter zichzelf tekort voelt schieten, weet de lezer dat de prachtige verwoording van dit streven misschien geen zingeving biedt, maar wel verbindt – en daarmee toch hoopvol is.

*Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad. Ze debuteerde in 1970 met de dichtbundel Dogter van Jefta. Ze heeft ondertussen tientallen titels (poëzie, proza, toneel en essays) en prijzen op haar naam staan. Belangrijke thema’s in haar werk zijn Zuid-Afrika, ongelijkheid, vrouw-zijn en ouder worden.

 

‘Liefde kan pas als je naar elkaar luistert’

‘Liefde kan pas als je naar elkaar luistert’

Het Parool, Boeken, 7 april 2018 Macht: Vrouwen, mannen en relaties Dieuwertje Mertens In De antwoorden van Catherine Lacey legt personage Kurt Sky het aan met verschillende vrouwen om aan al zijn behoeftes te voldoen. ‘Gender speelt een belangrijke rol.’ De Amerikaanse auteur Catherine Lacey […]

Dorrestein doet zelf haar laatste zegje

Dorrestein doet zelf haar laatste zegje

Het Parool, Boeken, zaterdag 31 maart 2018 Zelfportret: Journalist, feminist, romanschrijver, sterfelijk mens Dieuwertje Mertens De euforie over het idee voor een nieuwe roman is van korte duur als blijkt dat Renate Dorrestein slokdarmkanker heeft. Met Dagelijks werk is ze potentiële biografen voor. ‘Stel je […]

Doorbreek dat witte bastion

Doorbreek dat witte bastion

Het Parool, Zaterdag 3 maart Boeken

POËZIE – Spoken word draagt bij aan inclusieve literatuur

Dieuwertje Mertens

De Nederlandse poëzie is wit en hoogopgeleid. Maar dat kan veranderen. Dichters met andere (culturele) achtergronden vinden hun weg naar de uitgeverij, onder meer via spoken word; voordracht van een zelfgeschreven tekst.

De finale ‘battle’ van het NK Poetry Slam in Tivoli Utrecht ging dit jaar voor het eerst tussen twee dichters met een ‘biculturele achtergrond’; Ozan Aydogan en Asha Karami. De Turkse dichter en acteur Aydogan won. Het verbaast Babs Gons, presentator van het NK, schrijver en spoken word-goeroe, niets dat het ‘witte bastion’ juist nu doorbroken wordt, ze ziet het als onderdeel van een veel bredere ontwikkeling die op dit moment plaatsvindt: ‘Maatschappelijke en bestuurlijke organisaties krijgen al jaren de opdracht om de wereld inclusiever te maken. Dat begint nu zijn vruchten af te werpen.’

Passie voor taal

Gons is lid van de commissie Letteren en bibliotheken van de Raad voor Cultuur. Ze heeft nadrukkelijk de opdracht gekregen om spoken word in de adviezen op te nemen. Literaire tijdschriften en organisaties consulteren haar regelmatig als talentscout. Ze vindt de huidige literaire wereld erg besloten: ‘het is een wit wereldje waar je alleen toegang toe krijgt via academische kringen.’

Haar observatie wordt gestaafd als je bijvoorbeeld kijkt naar de VSB Poëzieprijs, die dit jaar voor het laatst werd uitgereikt.  De afgelopen vijf jaar was jaarlijks het aantal inzendingen van dichters met wat in het debat een ‘cultureel diverse achtergrond’ wordt genoemd, nauwelijks op één hand te tellen. Het gebrek aan culturele diversiteit in het dichterslandschap, heeft volgens Gons ook met de toegang tot taal te maken: ‘Veel leerlingen aan het ROC waar ik weleens lesgeef zijn bijvoorbeeld dyslectisch en denken dat ze daarom geen toegang hebben tot de literatuur. En voor mensen die hier niet zijn opgegroeid kan het minder goed beheersen van de grammatica ook een barrière zijn. Bij spoken word bijeenkomsten is dat minder belangrijk. Het draait om het verhaal en de passie in de taal.’

Breken met traditie

‘Poëzie in Nederland wordt gewaardeerd als het abstract is. Het is een hele kleine wereld die zichzelf in stand houdt,’ beaamt Derek Otte, spoken word artiest en sinds vorig jaar stadsdichter van Rotterdam. ‘Ik heb mij nooit welkom gevoeld bij poëzie. Als je je niet in de traditie plaatst, val je erbuiten. Bij spoken word wordt niet gedacht in culturele hokjes, de scene is (ook nog) meer divers dan die van bijvoorbeeld poetry slam. Spoken word leent veel van de rap, hiphop en poëzie. Het gaat erom dat de taal lekker vloeit: iemand vertelt iets tofs op zijn eigen manier.’

Dat levert poëzie op die buiten de geijkte paden treedt, blijkt bijvoorbeeld uit de gedichten van Dean Bowen (1984), die al jarenlang optreedt als spoken word dichter. In zijn onlangs verschenen debuut Bokman breekt hij met oude tradities:

*De avant-garde kakkerlak non-profeet overpeinst naoorlogs taalgeweld//Campert Kouwenaar Vinkenoog Lucebert & Hugo Claus//en meer/zoveel meer (!!)/(..) verouderde tradities en ruïne  ‘neen’             /taal doet deze wildernis pulseren in ram-bam rambambam hiphopbeats.*

Wat direct opvalt is dat de dichtregels van Bowen wild over de pagina’s zijn gerangschikt vol witregels en tabs. Ze doen denken aan partituren. Hij dicht over zijn Surinaamse afkomst versus zijn Nederlandse roots, slavernij, racisme: *ik neem het je niet kwalijk, maar ik neem het je wel kwalijk/jouw familie had geen slaven, maar de welvaart genoten/ (..)ik ben geboren, Dean Andrew Jake Bowen, uit gelaagde opmaak geboren/zoon van ook nederlandse bodem(..)*

Gons: ‘Spoken word draait om empowerment, het is een vorm van protest. Je ziet onderwerpen voorbijkomen als ‘de Zwarte Piet-discussie’ en solliciteren met een andere achternaam. In spoken word draait het vaak om thema’s als identiteit en racisme.’

Thema’s die ook aan bod komen in de onlangs verschenen debuutbundels van Simone Atangana Bekono en Radna Fabias, die overigens beiden niet via spoken word, maar na een schrijfopleiding aan de kunstacademie, bij een uitgever terecht kwamen.

Maatschappelijk engagement

Gevestigde dichters voelen zich ook in toenemende mate geroepen om maatschappelijk engagement tonen. Ze dichten over Syrië, vluchtelingen, de aanslagen in Parijs, zoals Remco Campert deed in zijn onlangs verschenen bundel Open ogen. Toch is er een groot verschil: het is meestal betrokkenheid van het kaliber: God, wat zie ik toch een hoop ellende in de wereld voorbijkomen op het nieuws.

‘Bij spoken word draait het toch meer om die persoonlijke verbinding met de wereld,’ zegt Otte. ‘Niet dat liefdesverdriet geen onderwerp is, zeker wel, maar het draait ook om het grotere plaatje. Zelf kom ik bijvoorbeeld uit Rotterdam-West; mijn teksten gaan regelmatig over wat ik daar meemaak.’ Omdat bij spoken word de nadruk op de boodschap ligt, is voor de hand liggend dat de gedichten ‘meer rechttoe rechtaan zijn’.

Otte heeft één keer proactief uitgevers benaderd. Overal werd hij afgewezen ‘en zeker niet op de meest vriendelijke manier. Tot ik een keer bij DWDD had gezeten, toen wilden uitgevers me wel een contract aanbieden. De artistieke inhoud van mijn teksten moest wel eerst worden bijgeschaafd. Toen dacht ik: nee, dit past niet.’ Hij richtte samen met Manu van Kersbergen uitgeverij Rorschach op: In 2015 bracht hij zijn bundel Regelgeving uit. Gons bracht haar eerste bundel Hoe kan het toch? vorig jaar in eigen beheer uit; uitgevers hadden toen nog geen interesse. Maar dit voorjaar verschijnt haar bloemlezing Hardop, spoken word in Nederland. ‘Bij uitgeverij Atlas Contact.’

  • Spoken word vs Poetry Slam

Spoken word is de voordracht van een (in meer of mindere mate poëtische) zelfgeschreven tekst. Deze voordrachten zijn niet te verwarren met poetry slams, waarbij deelnemers het met hun poëzie tegen elkaar opnemen. Poetry slams fungeerden het afgelopen decennium  als voornaamste springplank voor jonge dichters die graag willen debuteren. Wie bij de regionale slamavonden goed genoeg is, of een lange adem heeft, krijgt uiteindelijk wel een plek in de finale van het NK Poetry Slam die ieder jaar in Tivoli Utrecht plaatsvindt. Finalisten en winnaars komen in aanmerking voor een contract bij een uitgeverij.

Woorden worden zinnen, 4 maart, Tolhuistuin

Babs’ Woordsalon, 8 maart Melkweg

 

Gevoel voor ritme, timing en drama

Gevoel voor ritme, timing en drama

Het Parool, PS Boeken 10 februari 2018 Dieuwertje Mertens De Vlaamse schrijver en dichter Carmien Michels (1990) laat in haar poëziedebuut We komen van ver zien waar ze vandaan komt. Dat doet ze met de nodige zelfrelativering en humor. Een van de gedichten draagt de […]

Grimmig literair zusje van Spit

Grimmig literair zusje van Spit

Het Parool, PS Boeken 3 februari 2018 Dieuwertje Mertens Wat gebeurt er met een gezin als er een kind overlijdt? In haar debuutroman De avond is ongemak laat Marieke Lucas Rijneveld (1991) door de ogen van de tienjarige Jas zien hoe het gereformeerde boerengezin gezin […]

Een kakofonie van stemmen en nog wat whatsappjes

Een kakofonie van stemmen en nog wat whatsappjes

Het Parool, PS Boeken, 27 januari 2018

Dieuwertje Mertens

In Gebrek is een groot woord, de tweede roman van Nina Polak (1986), staat hoofdpersonage Nynke voor keuzes die te maken hebben met vrijheid en verbondenheid: moet ze zich settelen, blijft ze reizen, kiest ze voor haar grote liefde Borg of niet, moet ze haar zwangerschap omarmen of afbreken? Wat drijft haar en waarom?

Nynke Nauta, alias Skip, leidt een vrijgevochten bestaan: ze reist de wereld rond om zeilboten van particulieren naar de gewenste bestemming te zeilen. Tot ze in Cannes de familie Zeno tegen het lijf loopt. Ze besluit gebruik te maken van de gastvrijheid van het gezin dat haar eerder in haar leven hielp en keert voor een zomer terug naar Amsterdam voor een verblijf in hun tuinhuis.

Hoe het nu precies zit met Nynke en de familie Zeno wordt nergens expliciet gemaakt. Wel wordt duidelijk dat Mascha, Nico en hun zoon Juda als een soort pleeggezin hebben gefungeerd in de periode dat Nynke het moeilijk had. Na de dood van haar moeder, met wie Nynke een moeizame band had, is ze zeven jaar geleden opeens vertrokken, de familie Zeno, Borg en vrienden achterlatend.

Het verhaal wordt verteld door Nynke en is voorzien van mails, WhatsAppconversaties, dialogen en een ‘manuscript’ van Borg. Door middel van die perspectieven en interacties kan de lezer zich een beeld van Nynke vormen.

Het geeft zowel een authentiek als een kunstmatig karakter aan de roman. De bezoekjes die Nynke bij terugkomst aan vrienden brengt, zijn in het verhaal opgenomen als interview. Alle zes de vrienden houden een monoloog over het burgerlijk bestaan waarin ze bijna allemaal zijn vervallen; een samenzang van geklaag. Deze vrienden spelen verder geen rol, behalve dat zij het tegenovergestelde uitdrukken van de vrijheid die Nynke symboliseert.

De kakofonie van stemmen die Polak opvoert, laat zien hoe goed zij in staat is om iedereen een levensecht stemgeluid te geven. Polak schakelt soepel tussen vocabulaires. Dat van Nynke moet uitdrukken dat ze weliswaar niet heeft gestudeerd, maar heus niet dom is (‘de timing is nogal suboptimaal (..)’, ‘achter me schallen de Walkuren van Wagner’), haar oude vriendin uit Slotervaart spreekt straattaal (‘Die handsome motherfucker, hier, moet je hem kijken.’). Daartegenover staan dan weer de ietwat pretentieuze Zeno’s die in hun Oud-Zuidbubbel leven en hun idealistische puberzoon niet begrijpen. Wat drukken mensen zich toch lelijk uit en wat kramen ze een boel onzin uit. In communicatie zit vooral een hoop ruis, toont Polak.

Waarom is Nynke zeven jaar geleden vertrokken? Was het vluchtgedrag, bindingsangst, is ze getekend door haar ‘koele moeder’? De personages om Nynke heen psychologiseren er (met haarzelf) lustig op los.

Polak heeft een bijzonder verhaal geschreven, waarmee ze uitdrukking geeft aan de tijdsgeest: alles en iedereen heeft een stem en een mening, informatie kent geen hiërarchie, niets is eenduidig, maar toch willen we iedereen die niet in de pas loopt doorgronden.

fictie Nina Polak, Gebrek is een groot woord, Prometheus, €19,99. 240 blz.

Klik hier voor een leesfragment

 

Het gevoel verloren te zijn

Het gevoel verloren te zijn

Het Parool, PS Boeken, 27 januari 2018 Dieuwertje Mertens Finse meisjes zeggen zelden gedag en als ze boos zijn sturen ze je een rotte zalm. Het is onmogelijk om nog aan Finse meisjes te denken, zonder aan Kira Wuck (1978) te denken. Met De zee […]

Balanceren op het randje van kitsch

Balanceren op het randje van kitsch

Het Parool, Donderdag 25 januari 2018 Verhelst is de koning van de Esthetiek Dieuwertje Mertens Vandaag is de Poëzieweek begonnen, Het bijbehorende poëziegeschenk werd dit jaar geschreven door de Vlaamse dichter, romancier en regisseur Peter Verhelst, die ook een gedicht voor de bibliotheken maakte, dat […]

Hapiness alom

Hapiness alom

Awater, winter 2018

‘Ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte’

Dieuwertje Mertens

‘Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden/of is het juist andersom?’ dicht Sasja Janssen in het titelgedicht van haar vierde bundel Happy. Welke invloed heeft de taal op onze handelen en op onze beleving? Zit geluk niet in de taal?

In het openingsgedicht Ballade van de dichteres gooit Janssen haar worsteling maar meteen op tafel. Soms ontbreekt het haar aan taal, soms is haar taal te ingewikkeld voor de lezer en soms doet ze wat de lezer van haar verwacht: ‘ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte/misschien geen poëzie,/maar mijn troubles over taal verdwenen.’

Janssens poëzie heeft iets ‘onaards’. Haar gedichten zitten vol transcendentale perspectieven en perspectiefwisselingen. En ook in Happy trekt ze zich weinig aan van begrenzingen van tijd en ruimte.  Ze borduurt daarmee voort op haar vorige zeer oorspronkelijk en intelligente bundel; Ik trek mijn species aan. Daarin volgt ze de boeddhistische leer, waarin de weg naar de hoogst haalbare staat van verlichting, wordt afgelegd: als je nirwana hebt bereikt, ben je bevrijd van begeerte, hartstocht en waan en hoef je geen wedergeboorte meer door te maken. De verteller verkeert in een positie tussen leven en dood.

Ook in Happy zoekt Janssen naar verlichting: ‘(..)In de bergen van Rucâr/lag een dood hondje met brede bek en mager/witgekookt lijfje, zijn maag leeggegeten. Het is te weinig/keren doodgegaan om happy te worden, net als ik/vraag ik teveel?’ Een thema waar bladen als Happinez, meditatiecursussen en trainingen als ‘mindfulness’ gretig op inspelen. Misschien zijn we wel doorgeslagen in onze pogingen om ‘in het nu’ te zijn: ‘In de zomer horen wij in de zang van de krekel/de kou over de bladeren komen./We honen bij voorbaat zijn modieuze mindfuck van het nu’, dicht Janssen in Mindfuck. Ze stelt zich hyperbewust op. Ze is niet ‘in het nu’, ze is overal en nergens.  De verteller raakt doordrongen van het besef wat het betekent om mens te zijn, ze ziet toe op de mensheid en dicht: *Ik alleen kan het, me losweken van mijzelf, zoals/een gedicht van zijn maker./Een camouflagetechniek, die met gemak aan te leren is./De meeste mensen zijn er huiverig voor, maar willen er alles/van weten, totdat ze me verwijten dat ik geen zedelijk/bewustzijn heb./Het komt te dicht bij de dood./Hoewel je die al bij je eerste uur cadeau krijgt.// Ik ben alleen wanneer ik mijn geluk herhaal./Hoeveel herhalingen heb ik nodig om te geloven/dat ik mijn geluk herhaal?  (..)*

De bundel vraagt om een specifieke leeshouding. Je moet bereid zijn om verwachtingen los te laten en niet te zoeken naar houvast in de vorm van een eenduidige context of een helder vertelperspectief.

In dat losgezongen karakter van de bundel zit de kracht, maar een enkele keer ook de zwakte van Happy. De dichter maakt het de lezer niet altijd even gemakkelijk, zoals in het gedicht Flatterzunge (een techniek voor blazers: het uitspreken van een r bij het uitblazen van de lucht, dit veroorzaakt een raspend geluid), waarin de lezer weinig houvast krijgt: ‘Met een jonge god onder ziekwitte lakens/toen je hoorde dat jij het was/en hij struikelde alle trappen af.’ Wie is ‘je’/’jij’/’hij’? ‘Je’ koopt een kalf, omdat ‘je’ niet meer bij de mensen terecht kunt en aan het einde van het gedicht is ‘je’ niet langer mens, maar ‘tong lippen tong’.

Dichters moeten vooral verwarring zaaien, maar het wordt lastig op het moment dat een gedicht een verhalend karakter heeft, zoals Flatterzunge, en zowel vertelperspectief als context op geheel losse schroeven staan – dan heeft de lezer wel heel weinig in handen.

De bundel bevat een aantal zeer lange gedichten, waar ik over het algemeen genomen niet gek op ben, omdat ik vind dat de kracht van een goed gedicht vooral tot uitdrukking komt als de taal zoveel mogelijk gecomprimeerd is. In Happy passen dergelijke gedichten wel, omdat Janssen zich lijkt te verliezen in de taal, waardoor de taal een meditatieve toestand lijkt uit te drukken. Het is moeilijk om hieruit te breken.

Bijzonder aards is daarentegen de gedichtenreeks Ballade van een Alfahulp (1-4). Hierin laat Janssen haar oorspronkelijke taal schitteren: ‘Ik trek de gordijnen dicht als een lijkzak, de tengere/sigarettenhulzen van het bed, snijbloemgroen de deken/die makkelijk vuurt, het moet meteen.’ Het gebruik van krachtige en eigenzinnige metaforen benadrukken het grimmige perspectief van de alfahulp die haar werk misschien wel tegen wil en dank doet: ‘Het moet, de traagheid, mijn kinderhand tussen haar/benen en ik lach met haar mee, want voor mij is het erger,/ik ben ingehuurd, niet ik ga over twee dagen dood. (..)’

In het slotgedicht beseft de protagonist beseft dat ‘we zijn gekomen om te sterven’ en geluk komt na de dood. Ze refereert in Monkey naar het ironische ‘Een groot dichter’ van Kees Ouwens: ‘Toen strekte de dubbelgangster zich in mij uit./Ik was compleet gelukkig, en ik besefte ik ben/een groot dichteres nu’. De hele bundel komt samen, happiness alom.

 

GENRE Recensie

Sasja Janssen, Happy, Querido, 2017, 64 pagina’s, € 16,99

 

Lees het gedicht Ballade van een eendagsvlieg uit de bundel Happy hier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Latest post

Recensie Carolina Trujillo – Vrije Radicalen

Recensie Carolina Trujillo – Vrije Radicalen

Het Parool, Boeken 4 maart 2017

****

Uruguayaanse vrienden storten zich in het onheil

Dieuwertje Mertens

In Vrije radicalen, de vierde roman van Carolina Trujillo (1970), staat de vriendschap tussen Jaime Castro, die opgroeit aan de ‘goede kant van de snelweg’ in Montevideo (Uruguay) en straatjongen Gaston, ‘Gas’, centraal. Vrije radicalen zijn kleine, ongebonden deeltjes die vrijkomen als afvalstoffen van processen in en buiten het lichaam en die zich makkelijk hechten aan andere stoffen en op die manier schade kunnen toebrengen. De titel is een perfect gekozen metafoor voor de vriendschap tussen Jaime en Gaston.

Dat Trujillo graag ingrediënten uit haar eigen leven gebruikt om haar veelgeprezen romans zoals De terugkeer van Lupe Garcí­a (2011) mee te kleuren, is geen geheim. Ze werd geboren in Montevideo en kwam op zesjarige leeftijd als politiek vluchteling in Nederland terecht. De cultuurverschillen tussen Uruguay en Nederland, zelfdestructie en alcohol- en cocaïnegebruik zijn terugkerende thema’s in haar werk, ook in Vrije radicalen.

Hoofdpersonage Jaime heeft niets te verliezen: zijn jeugd is getekend door het wrede dictatoriale regime in Uruguay, waaronder hij zijn twee broers verloor bij een actie, zijn vader zich ophing aan de deurkruk van zijn gevangeniscel en zijn moeder zich dagelijks met medicatie drogeerde om het verdriet niet te voelen, tot deze troost haar fataal werd. Jeugdvriend Gas, die hij op de begrafenis van zijn vader ontmoet, is in wezen de enige stabiele factor in zijn leven.

Op zijn achttiende emigreert Jaime naar Amsterdam, waar hij later binnen de grachtengordel een succesvol leven leidt; ‘geslaagd als verslaggever, mislukt als mens’. Zijn bewondering gaat uit naar Gas, die ondertussen als strijder tegen onrecht, dierenleed en milieuvervuiling door het leven gaat. Jaime blijft hem ook vanuit Nederland opzoeken in zijn hut buiten Montevideo om deel te nemen aan acties en er reportages over te schrijven.

Ondanks alle ellende en gruwelijkheden die Jaime in zijn jeugd heeft doorstaan, is zijn verteltoon luchthartig, soms ironisch, maar nergens zwaarmoedig, wat zowel mededogen als bewondering voor het personage oproept. Hij beziet zijn leven met een zekere afstand. Trujillo is niet alleen stilistisch een begaafd schrijver, maar heeft ook werkelijk een (oorspronkelijk) verhaal te vertellen: bijna elke zin brandt van urgentie.

Halverwege het boek denk je: hier laat Trujillo een steek vallen, er is een hap uit het verhaal genomen. Dat blijkt (natuurlijk!) een strategische zet van de schrijver te zijn: Jaime wordt psychotisch en durft zijn huis niet meer uit. Een onbetrouwbare verteller biedt de mogelijkheid om alles op losse schroeven te zetten en een nieuw soort spanning in het verhaal te brengen. Jaime vraagt Gas om hem te komen helpen. Die besluit het bezoekje aan zijn vriend met het nuttige te verenigen en slikt bolletjes, zodat hij in Amsterdam inkomsten kan genereren. Bij Jaime thuis broedt hij tussen het dealen door op allerlei acties, waaronder een aanslag op de Miljonair Fair.

Gedurende de aanloop hiernaartoe verliest het verhaal, tussen waan en werkelijkheid, wat van z’n stuwende kracht: Trujillo heeft de gang naar de afgrond misschien wat te lang opgerekt. Maar de lezer is al verloren. Hij kan niet anders dan meegaan in Jaimes val en, tegen beter weten in, hopen op een zachte landing.

Lees hier een fragment uit Vrije Radicalen.