Recent Posts

Vriendschap, liefde en verzet onder Franco

Vriendschap, liefde en verzet onder Franco

Het Parool, PS Boeken, zaterdag 6 juli Romanreeks: De geschiedenis van het Spaanse verzet Dieuwertje Mertens De Spaanse schrijver Almudena Grandes werkt aan een zesdelige romanserie over het verzet tegen Franco. Het vierde deel De patiënten van dokter Garcí­a gaat over een netwerk dat nazi’s […]

‘Poëzie vond mij toen ik veertien was’

‘Poëzie vond mij toen ik veertien was’

Het Parool, PS Boeken, zaterdag 15 juni 2019 Bijtend pamflet: Koleka Putuma put kracht uit openheid De Zuid-Afrikaanse performer, dichter en theatermaker Koleka Putuma maakt furore met haar activistische gedichten. Haar bundel Collective Amnesia sloeg internationaal in als een bom. Door Dieuwertje Mertens ‘Als je […]

Dit is prozacontroverse

Dit is prozacontroverse

Het Parool, PS Boeken, 25 mei 2019

Spoken word in Nederland

Dieuwertje Mertens

Spoken word hoort eigenlijk niet thuis in een papieren bloemlezing, want ‘ook ritme, tempo, mimiek, bewegingen, intonatie en interactie met het publiek’ horen bij deze ‘voordracht van een zelfgeschreven tekst’. In die zin zou een digitale bloemlezing met filmopnames meer voor de hand liggen. Maar Babs Gons, ambassadeur en spoken word artiest van het eerst uur, kiest bewust voor een boek. Met Hardop vraagt ze aandacht voor deze ‘hoognodige kunstvorm’. Ze selecteerde het werk van achttien spoken word artiesten die ‘een staalkaart van de Nederlandse spoken word scene’ vormen.

Ambieert Gons dat spoken word als kunstvorm een plek krijgt in de literatuur, dan voelt het als een logische zet om de teksten ook op papier af te drukken, zodat het genre ook zijn plek tussen de gedrukte literatuur opeist. Echter: als je die ‘status aparte’ in de literatuur echt wil overkomen, dan is de consequentie dat je ook naar literaire maatstaven wordt beoordeeld.  Maar dat lijkt niet de bedoeling. In het voorwoord schrijft Gons: ‘(..) deze kunstvorm is een zeer toegankelijke vorm van literatuur. Waar mensen die de taal niet (helemaal) goed beheersen, dyslectisch zijn, of anderzijds een schijnbare taalachterstand hebben zich onzeker of onwelkom kunnen voelen in de klassieke literatuur het idee hebben (..) geloof ik graag dat de deur van de spoken word poëzie voor iedereen openstaat.’

Gons heeft duidelijk veel tijd en aandacht besteed aan de (eind)redactie, hoewel sommige grammaticale fouten zijn blijven staan. Vermoedelijk niet per ongeluk, maar als statement, om duidelijk te maken dat het er in de scene niet toe doet (‘Het maakte hun niets uit/De restjes waren toch al van hun’, Neusa Gomes).

De gastvrijheid van de scene, waarin zelfexpressie wordt beloond met een applaus is vanuit emanciperend oogpunt natuurlijk te prijzen, maar maakt het ook lastig om kwaliteitseisen aan het genre te stellen. De bloemlezing Hardop zou een eerste aanzet kunnen zijn, maar de eisen die Gons bij selectie heeft gesteld, komen niet helder naar voren in haar voorwoord (‘artiesten die optreden in binnen- en buitenland’) en blijken ook niet uit de selectie en dat is een gemiste kans.

Spoken word teksten zijn in oorsprong een (door ervaring gekleurde) aanklacht of een pamflet. Ze zijn vaak te letterlijk om voor poëzie door te kunnen gaan, uitzonderingen daargelaten. Als het genre ergens tegenaan schurkt is het de hiphop. Denk aan de Last poets; de groep hiphop en spoken word artiesten die voortkwam uit de Burgerrechtenbeweging in de jaren zestig van de vorige eeuw. De Last Poets uitte haar maatschappelijk onvrede op de beat van een drum in de straten van New York. Binnen de hiphop worden duidelijke kwaliteitseisen gesteld: Ritme, rijm, woordspelingen, inversies en humor zijn daarvan belangrijke pijlers.

De teksten van rapper Akwasi die zijn opgenomen in de bloemlezing hebben ritme en flow, hij speelt met dubbelzinnigheden in de taal, gebruikt (binnen)rijm: ‘Vreemd is raar, raar is traditie en traditie is commentaar./Commentaar is proza. Proza is vers. Dit is prozacontroverse./Ben een provocateur extraordinaire dus aandacht is PR.’

Lijnrecht hiertegenover staan dan bijvoorbeeld de tekst Hiphop van rapper en spoken word artiest Elten Kiene, die meer iets wegheeft van de slecht uitgewerkte notulen van de vergadering van een maatschappelijk organisatie: ‘We hebben het steeds vaker over/diversiteit/over inclusiviteit/over samen leven.’ Slotsom: hiphop is onmisbaar. De boodschap bestaat uit aaneengeregen holle frasen en maatschappelijke clichés: met de vorm is vrijwel niets gedaan.

Het scala aan stilistische middelen dat wordt ingezet, is regelmatig beperkt. Wat direct opvalt aan Hardop is dat veel teksten opsommingen zijn en het moeten hebben van herhaling  –  wat op het podium een boodschap bekrachtigt en zorgt voor vormeenheid – maar op papier op den duur, en zeker zo achter elkaar gezet, vervelend is.

Aangezien er zo nadrukkelijk wordt gesproken over een ‘kunstvorm’ zou een van de basiscriteria ‘oorspronkelijkheid’ en een ‘eigenzinnige of creatieve omgang met taal’ moeten zijn. De selectie valt tegen, op een paar geoefende artiesten na, die het opvallend genoeg juist moeten hebben van de kruisbestuiving met andere disciplines, zoals dichter Dean Bowen of de samensteller zelve, die ook voor andere media schrijft.

Wat Hardop vooral laat zien is dat de behoefte aan erkenning groot is, maar dat er meer aan zelfreflectie gedaan zou mogen worden, waarbij het is aan te bevelen verder te kijken dan emancipatie, zodat de kunstvorm zich verder kan ontwikkelen.

 

Hardop spoken word in Nederland; samengesteld door Babs Gons

Atlas Contact

219 blz.

20,00

 

 

Opgeheven vingertje

Opgeheven vingertje

Het Parool, PS Kunst en Media, 10 mei 2019 Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja schreef in opdracht van het Scheepvaartmuseum een gedicht voor de tentoonstelling Republiek aan Zee, die vandaag opent. Dieuwertje Mertens volgde het proces. VRIJDAG 1 MAART “Kijk, ik heb speciaal een schipperstrui […]

Familie als de basis van alles

Familie als de basis van alles

Het Parool, Dagblad van het Noorden, Leeuwarder Courant, zaterdag 20 april Huidskleur bepaalt hoe je wordt bejegend Dieuwertje Mertens Gebroken wit is de nieuwe roman van P.C. Hooft-prijs-winnaar Astrid H. Roemer. Hoofdmetafoor in het verhaal van de Surinaamse familie Vanta is het licht. ,,We zijn […]

Het spektakel van een archiefkast

Het spektakel van een archiefkast

Het Parool, Boeken, 30 maart 2019

Een hand die verzamelt en classificeert

Door Dieuwertje Mertens

‘Een archief kan niet zonder archivaris, een hand die verzamelt en classificeert,’ is één van de motto’s van het eerste deel van Archief van verloren kinderen van Valeria Luiselli. In haar nieuwe roman is dat precies wat ze probeert te doen: orde scheppen in situaties die haar te veel dreigen te worden, zoals een ontsporend huwelijk en de vermissing van Mexicaanse kindvluchtelingen.

Het is niet voor het eerst dat Luiselli schrijft over de verschrikkingen die migranten aan de Mexicaans-Amerikaanse grens moeten doorstaan. Veel echo’s van de essaybundel Vertel me het einde (naar de vraag van één van haar kinderen, die wil weten hoe het een vluchteling bij de grens vergaat) weerklinken in Archief van verloren kinderen, ware het niet dat de vluchtelingen nu zijn ingebed in een groter verhaal over ontworteld zijn.

Centraal staat een samengesteld gezin: een Mexicaanse moeder (die veel wegheeft van Luiselli zelf) en dochter en een Amerikaanse vader en zoon. Het werk van de ouders, deelnemers aan een groot project om de stad New York in soundscapes te vatten, heeft hen bij elkaar gebracht. Vier jaar leven ze samen in een appartement, tot het project is afgerond en de ouders op zoek moeten naar nieuwe projecten.

Kindvluchtelingen

Door uiteenlopende interesses treedt verwijdering tussen de ouders op: vader, sound scape artist (documentalist) van beroep, stort zich op de geschiedenis van de Apache-indianen. Moeder, documentairemaker, raakt geobsedeerd door de kindvluchtelingen die de grens bij Mexico over zijn gekomen. Ze wil op zoek naar de verloren dochters van een Mexicaanse vriendin.

Toch gaan ze met z’n allen op een roadtrip naar Arizona, op zoek naar de verhalen van de Apachen, geluiden opnemen ‘die meestal onopgemerkt blijven’. Onderweg luisteren ze op de radio naar het nieuws over de vloedgolf aan kindvluchtelingen die Amerika binnenkomen. Moeder leest voor uit een boekje getiteld Treurzangen voor verloren kinderen; een reeks dramatische allusies op bestaande verhalen over reizen en migratie van onder meer Joseph Conrad en T.S. Elliot.

De jongen heeft een polaroidcamera gekregen en vraagt zich af wat hij met de foto’s documenteert. ‘Hoewel we in de auto op een armlengte afstand van elkaar zitten, zijn we vier stipjes die niet onderling zijn verbonden – ieder op onze eigen plek, met onze eigen gedachten, ieder in stilte worstelend met wisselende stemmingen en onuitgesproken angsten’, schrijft Luiselli.

De ouders zijn gefocust op de onderlinge verschillen, maar de kinderen zien de overlap in interesses; de Apachen werden, net zoals de Mexicaanse kinderen, verdreven en uitgezet. Om de aandacht van hun ouders op te eisen, lopen de jongen van tien en het meisje van vijf weg. Ze gaan in hun eentje op zoek naar de vermiste dochters van de vriendin van hun moeder. De kinderen in het uiteenvallende gezin voelen zich net zo verloren als de Mexicaanse vluchtelingen.

Zeven dozen

Om de verhalen en obsessies van de gezinsleden te ordenen, is de roman opgebouwd als een archiefkast, waarin dozen met uiteenlopende archiefstukken zijn geplaatst. In de achterbak van de auto staan zeven dozen, respectievelijk hoofdstukken: doos een tot en met vier zijn van vader, doos vijf is van moeder, doos zes is van het meisje, doos zeven is van de jongen. En al die dozen zitten vol verhalen, citaten, verwijzingen, geluiden, muziekstukken, beelden.

Luiselli laat in Archief van verloren kinderen zien dat het loont om complexe, gelaagde verhalen op zo’n manier naar het papier te vertalen. Ze raadpleegt daarbij schrijvers als Susan Sontag en Ezra Pound en ontleent citaten en een aanpak aan hen. Stijl en middelen voegen zich naar het verhaal.

Als de kinderen onderweg zijn naar Echo Canyon, waar ze hopen hun ouders te treffen, ligt het vertelperspectief bij de jongen. In zijn haast om de bestemming te bereiken, ontbreken de punten in zijn zinnen. En in zijn archiefdoos – het laatste hoofdstuk – zitten de poëtische polaroids die hij onderweg maakte voor zijn zusje.

De hoogdravende en volstrekt originele aanpak van Luiselli maakt van de roman een intellectueel duizelingwekkend en hartverscheurend spektakel.

 

 

 

Feminisme: Weinig eigentijdse voorbeelden in nieuwe leeslijst

Feminisme: Weinig eigentijdse voorbeelden in nieuwe leeslijst

Het Parool, Boeken, zaterdag 23 maart 2019 Romans die je als moderne feminist gelezen móet hebben Door Dieuwertje Mertens ‘Hoe te leven? Hoe te worden wie je bent? Simone de Beauvoir ging ons voor, in ieder geval mij,’ schrijft criticus en schrijver Marja Pruis. Een […]

‘Ik heb gevochten als een leeuw om dit pokkeverhaal niet te vertellen’

‘Ik heb gevochten als een leeuw om dit pokkeverhaal niet te vertellen’

Het Parool,  PS Kunst en Media, vrijdag 16 maart 2019 Manon Uphoff schrijft openhartig over misbruik De vormenrijkdom van een traumatische jeugd Dieuwertje Mertens In de roman Vallen is als Vliegen beschrijft Manon Uphoff haar jeugd; een labyrintische wereld waarvan misbruik en geweld vaste onderdelen […]

Woorden als diva’s op de bühne

Woorden als diva’s op de bühne

Het Parool, Boeken, zaterdag 2 februari 2019

Tom Lanoye: Dichter is weer even terug

Door Dieuwertje Mertens

Tijdens een interview vertelde dichter en (theater)schrijver Tom Lanoye me eens dat hij zich meer romancier voelt dan dichter. Hij bracht de laatste jaren ook meer romans (en theaterstukken) dan dichtbundels uit. Toch schreef hij voor Poëzieweek het Poëziegeschenk Vrij – Wij? Ook is er een nieuwe bloemlezing van zijn poëzie, De meeste gedichten.

Hij begon zijn dichterscarrière op het podium en ook zijn gedichten zoeken de spotlights op als echte diva’s die gezien en gehoord moeten worden. Bescheidenheid is hun vreemd. Ze maken hun entree met verheven stem en weidse armgebaren, met grote woorden (wanhoop, schoonheid, moord, liefde, passie) en de nodige overdrijving (Lanoye heeft een voorliefde voor overdreven bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden, zoals ‘rotbedorven’, ‘onwrikbaar’, ‘weelderig’). Drama ligt op de loer.

Poëtische opera

Lanoye debuteerde met Maar nog zo goed als nieuw (1980). Gedichten uit zijn eerste vijf bundels zijn om onbekende redenen – er is geen voorwoord of inleiding – niet opgenomen in De meeste gedichten. De bloemlezing begint met In de piste (1984); veelal humoristische gedichten die hij ook ten gehore bracht op het podium. Lanoye is een fantastische performer. Hij was in de jaren tachtig een van de belangrijke Vlaamse vertegenwoordigers van de performance-traditie. Communicatie met het publiek stond en staat voorop en verstaanbaarheid is daar een belangrijk onderdeel van.

Het thema van het Poëziegeschenk is ‘vrijheid’, die heeft Lanoye ook zeker genomen in Wij – Vrij? dat zich losjes tot dit thema verhoudt, op een flauw openingsgedicht na waarin hij de (negatieve) betekenis en de begrenzingen van het woord onderzoekt: ‘De lucht is vrij,/ De vraag is vrij./ De vrijheid niet.// Ze lonkt en vrijt./ Maar zij ontschiet.* Na dit ‘verplichte nummertje’ inclusief woordgrapje, alliteratie en eindrijm doet hij waar hij zin in heeft en klimt hij direct het spreekwoordelijk podium op om een poëtische opera op te voeren.

De gedichten die volgen doen denken aan theatertekst of opera, links en rechts of gecentreerd op de pagina, met regieaanwijzingen tussen haakjes. Er zijn gedragen dialogen en koortjes (samenzang), een verteller richt zich tot de vierde wand (het publiek).

Gedicht als theatertekst

De ondertitel van het gedicht De engelenbak, ‘of: het leven is een schouwtoneel’ (vrij naar Joost van den Vondel: ‘De wereld is een schouwtoneel/ieder pakt zijn rol, ieder krijgt zijn deel’), zou een samenvatting kunnen zijn van de poëtica van Lanoye. De dichter stelt voor om de kerk in te ruilen voor het theater: ‘wissel (..) snode goden voor molière vondel en voltaire.’

Het gedicht, dat is opgesteld als een theatertekst, krijgt de klank van een hedendaags gebed: ‘geef ons: andere levens andere smoelen/ om die van ons niet meer te voelen.’ En hij besluit met: ‘schenk ons: weelderig voetlicht en luttele verzen/ om al tijdelijk te wennen aan verdwijnen als generale/ repetitie voor ons weinig feestelijke slotpremière.’ Het gedicht zit goed in elkaar, vol verwijzingen en spitsvondigheden, ook de vorm is goed uitgewerkt. Maar dan die slotstrofe, die inderdaad niet valt te misverstaan. Dat de dood een kwestie van ‘verdwijnen’ is en ‘weinig feestelijk’ is too much. Door dat te benadrukken helpt hij het gedicht om zeep.

De vinger op de zere plek

Dat maakt Lanoye niet uit. Hij maakt van zijn zwakte een deugd, getuige ook het slotgedicht van het Poëziegeschenk, getiteld L’envoye de lanoye (boodschap van Lanoye). In de kantlijn richt hij zich op dramatische wijze tot zijn nageslacht en de toekomstige lezer (‘zo u nog leest’). Hij dicht: ‘Als ik me haat, is het daarom: ik ken geen maat.// Altijd: te veel, te luid, te grof, te groot, te graag en nooit/ genoeg. Een drietal zielen in één borst. De nar, de nerd/ en een vertwijfelde die zijn verlossing zoekt in zwoegen.’

Hij legt de vinger op de zere plek; overmaat maakt zijn gedichten soms te pompeus, te nadrukkelijk. Tegelijkertijd is het onderdeel van het theater van Lanoye. Je vergeeft hem veel, zoals je ook vergevingsgezind bent jegens een operadiva, zodra ze begint te zingen.

Toch houdt hij zich ook af en toe in. Een van mijn favoriete gedichten van Lanoye is Aanhoudende vorst, asse en sneeuw, opgenomen in de bloemlezing. Hij beschrijft zijn moeder die, hoe vertrouwd ook, een onbekende is. Hij verlangt ernaar de vrouw te kennen die ze was voor ze een gezin had: ‘Ik begrijp het niet: hou ik dan van/ haar en ben ik erger dan een/ vreemde? Ik weet waarvan ze hield/ zonder het te kennen (..)/ ik wil weten wie ze was.‘ Zonder het kleine gebaar, valt het grote natuurlijk niet op.

 

De magie van een gedicht

De magie van een gedicht

Het Parool, PS Kunst en media, donderdag 31 januari 2019 Poëzieweek: Spoken word en poetry slam groeien naar elkaar toe Dieuwertje Mertens Tijdens de Poëzieweek wordt de Nederlandse poëzie gepromoot met activiteiten door het hele land. Om de verkoop van dichtbundels te stimuleren is er […]

Van Afrika en voor Afrika

Van Afrika en voor Afrika

Het Parool, Boeken, 12 januari 2019 Winternachten: Literatuur vanuit Oegandese orale traditie Jennifer Nansubuga Makumbi is komende week te gast op het Haagse literatuurfestival Winternachten Writers Unlimited. Een gesprek over Afrikaanse literatuur. ‘Afrikaanse auteurs schrijven vaak voor de witte markt.’ Door Dieuwertje Mertens ‘For God’s […]

Een nog groter mysterie

Een nog groter mysterie

Het Parool, zaterdag 12 januari, Boeken

Romanschrijver van beroep

Door Dieuwertje Mertens

Hoe komt het dat de Japanse auteur Haruki Murakami wereldwijd zoveel hartstochtelijke bewondering oogst onder lezers? En dan heb ik het niet over het gedegen soort literaire waardering dat wel meer wereldberoemde auteurs ten deel valt, maar over uitzinnige fandom. Maandag vindt bijvoorbeeld een Murakami Music Night plaats in het Concertgebouw, waar de favoriete muziek van de auteur wordt gespeeld, die ook terugkomt in zijn romans. Deze was al zo snel uitverkocht dat er een tweede avond is gepland op de 15de. En hij is zelf niet eens present, want van publieke aandacht moet hij weinig hebben.

Dat maakt zijn Romanschrijver van beroep, dat dinsdag in vertaling verschijnt, in potentie ook zo’n gewild exemplaar. Murakami laat zich niet graag interviewen en treedt weinig in het openbaar, maar hierin doet hij een boekje open over zijn schrijverschap. De ruim 35 romans, zoals Norwegian Wood, Kafka op het strand, 1984, De Moord op Commendatore en andere werken (korte verhalen, essays, non-fictie) die hij schreef, werden in vijftig talen vertaald. Murakami beschikt over de gave om romans te schrijven die voldoende cultureel ontworteld zijn om aansluiting vinden bij de regionale belevingswereld van lezers over de hele wereld (‘wereldromans’ volgens Tim Parks), maar ook genoeg originaliteit hebben om ze uniek te maken.

Zeven jaar geleden kocht ik op een kunstbeurs een houtskooltekening van Kim Hospers waarop een schaap in pak te zien is dat op de bank zit in een donkere ruimte naast een sneeuwend televisiescherm. Hoewel de kunstenaar iets anders trachtte uit te drukken, herkende ik mijn favoriete passage uit Dans, dans, dans: een volstrekt particuliere associatie, onttrokken aan mijn eigen verbeelding. Op de vijftiende verdieping van het Dolphine Hotel woont Schaapman, een soort orakel. Hij geeft het hoofdpersonage een opdracht: ‘You gotta dance.’ Een paar jaar geleden kwam een vriend, expat in Cambodja, op bezoek met zijn Vietnamese vriendin. Ze liep direct naar de tekening en zei: ‘This is the Sheep Man from Haruki Murakami.’ Omdat dit voorval zich aan de rand van Murakami’s universum afspeelde, leek het me geen toeval dat deze onbekende vrouw met een ander cultureel referentiekader Schaapman onmiddellijk herkende. Murakami roept altijd verwondering op bij wat voor de hand ligt en onmiddellijke acceptatie van dat wat verwondert. Er barstte in elk geval direct een gesprek los over Murakami.

Geen wetmatigheden

Waar de aantrekkingskracht in zijn verhalen van uitgaat, laat zich niet zo makkelijk omschrijven. In Romanschrijver van beroep geeft hij zelf iets prijs van wat zijn werk uniek maakt. Dat doet hij door zijn routines, zijn manier van schrijven (afgezet tegen het literaire veld) en de ontwikkeling die hij doormaakte te beschrijven. De lezer die hoopt op een soort handleiding – hoe schrijf ik een roman? – kan beter te rade gaan bij Stephen King, James Wood, Renate Dorrestein of Arie Storm. Murakami vertelt alleen hoe Murakami schrijft en daar vallen geen voorschriften of wetmatigheden aan te ontlenen.

‘Een roman schrijven is een hoogst stompzinnige bezigheid. (..) Het is een handeling waarbij je voortdurend ‘bij wijze van spreken’ herhaalt,’ schrijft Murakami. De succesauteur stelt zich extra bleu op, soms zelfs op het ergerniswekkende af, waardoor je al snel voelt dat dit de manipulaties van de romanschrijver zijn die zijn eigen leven romantiseert door zijn schrijverschap zo nadrukkelijk doodgewoon te doen lijken.

Hij voelde op zijn dertigste de aandrang om een verhaal te schrijven, al was het alleen maar om de ‘leegte in mijn hart te vullen’. Dat deed hij ‘s nachts aan de keukentafel, na een lange dag werken in zijn eigen jazzclub. Hij benadrukt dat hij door het harde werken, het afzien en het nachtleven weliswaar een beetje levenservaring had opgedaan. Maar hij was zich ervan bewust dat hij verder niet bepaald een afwijkende jeugd of spannend leven had die hem als schrijver interessant zouden maken. Daarom was stijl zo belangrijk, daar viel de winst te behalen.

Gunzo Debutantenprijs

Om alle overbodige ballast van zich af te schudden, besloot hij te schrijven in het Engels, waarin zijn woordenschat beperkter was. Vervolgens vertaalde hij de tekst in het Japans. Hierdoor was de tekst als het ware twee keer gefilterd, wat een unieke stijl opleverde. Hij won met Luister naar de wind de Gunzo Debutantenprijs, een grote prijs in Japan, die het begin van zijn carrière markeert. Zelf lees ik Murakami altijd in het Engels, maar ook deze zijn weer her(ver)taald uit het Japans. Het effect is dat er steeds weer iets ontglipt, wat de teksten een bijzonder soort kunstmatigheid verschaft. Ze zijn als het ware ‘losgezongen’ van een (culturele en talige) context.

Verder benadrukt Murakami hoe belangrijk het is om te schrijven omdat het je plezier verschaft, om vrij te zijn van waarden (hij bemoeit zich nadrukkelijk niet met de Japanse literaire wereld), hoe muziek het ritme van zijn teksten dicteert en hoe je je los moet weken van een wereldlijke logica. Kortom: al die zaken die je terugleest in zijn romans. Toch is het zo dat hoe meer schrijversgewoonten en -gebruiken Murakami op zijn eigen heldere, nuchtere manier uiteenzet, hoe meer hij de verwondering en dus het mysterie voedt. Zijn fans zouden niet anders willen.