Recent Posts

Het gevoel verloren te zijn

Het gevoel verloren te zijn

Het Parool, PS Boeken, 27 januari 2018 Dieuwertje Mertens Finse meisjes zeggen zelden gedag en als ze boos zijn sturen ze je een rotte zalm. Het is onmogelijk om nog aan Finse meisjes te denken, zonder aan Kira Wuck (1978) te denken. Met De zee […]

Balanceren op het randje van kitsch

Balanceren op het randje van kitsch

Het Parool, Donderdag 25 januari 2018 Verhelst is de koning van de Esthetiek Dieuwertje Mertens Vandaag is de Poëzieweek begonnen, Het bijbehorende poëziegeschenk werd dit jaar geschreven door de Vlaamse dichter, romancier en regisseur Peter Verhelst, die ook een gedicht voor de bibliotheken maakte, dat […]

Hapiness alom

Hapiness alom

Awater, winter 2018

‘Ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte’

Dieuwertje Mertens

‘Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden/of is het juist andersom?’ dicht Sasja Janssen in het titelgedicht van haar vierde bundel Happy. Welke invloed heeft de taal op onze handelen en op onze beleving? Zit geluk niet in de taal?

In het openingsgedicht Ballade van de dichteres gooit Janssen haar worsteling maar meteen op tafel. Soms ontbreekt het haar aan taal, soms is haar taal te ingewikkeld voor de lezer en soms doet ze wat de lezer van haar verwacht: ‘ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte/misschien geen poëzie,/maar mijn troubles over taal verdwenen.’

Janssens poëzie heeft iets ‘onaards’. Haar gedichten zitten vol transcendentale perspectieven en perspectiefwisselingen. En ook in Happy trekt ze zich weinig aan van begrenzingen van tijd en ruimte.  Ze borduurt daarmee voort op haar vorige zeer oorspronkelijk en intelligente bundel; Ik trek mijn species aan. Daarin volgt ze de boeddhistische leer, waarin de weg naar de hoogst haalbare staat van verlichting, wordt afgelegd: als je nirwana hebt bereikt, ben je bevrijd van begeerte, hartstocht en waan en hoef je geen wedergeboorte meer door te maken. De verteller verkeert in een positie tussen leven en dood.

Ook in Happy zoekt Janssen naar verlichting: ‘(..)In de bergen van Rucâr/lag een dood hondje met brede bek en mager/witgekookt lijfje, zijn maag leeggegeten. Het is te weinig/keren doodgegaan om happy te worden, net als ik/vraag ik teveel?’ Een thema waar bladen als Happinez, meditatiecursussen en trainingen als ‘mindfulness’ gretig op inspelen. Misschien zijn we wel doorgeslagen in onze pogingen om ‘in het nu’ te zijn: ‘In de zomer horen wij in de zang van de krekel/de kou over de bladeren komen./We honen bij voorbaat zijn modieuze mindfuck van het nu’, dicht Janssen in Mindfuck. Ze stelt zich hyperbewust op. Ze is niet ‘in het nu’, ze is overal en nergens.  De verteller raakt doordrongen van het besef wat het betekent om mens te zijn, ze ziet toe op de mensheid en dicht: *Ik alleen kan het, me losweken van mijzelf, zoals/een gedicht van zijn maker./Een camouflagetechniek, die met gemak aan te leren is./De meeste mensen zijn er huiverig voor, maar willen er alles/van weten, totdat ze me verwijten dat ik geen zedelijk/bewustzijn heb./Het komt te dicht bij de dood./Hoewel je die al bij je eerste uur cadeau krijgt.// Ik ben alleen wanneer ik mijn geluk herhaal./Hoeveel herhalingen heb ik nodig om te geloven/dat ik mijn geluk herhaal?  (..)*

De bundel vraagt om een specifieke leeshouding. Je moet bereid zijn om verwachtingen los te laten en niet te zoeken naar houvast in de vorm van een eenduidige context of een helder vertelperspectief.

In dat losgezongen karakter van de bundel zit de kracht, maar een enkele keer ook de zwakte van Happy. De dichter maakt het de lezer niet altijd even gemakkelijk, zoals in het gedicht Flatterzunge (een techniek voor blazers: het uitspreken van een r bij het uitblazen van de lucht, dit veroorzaakt een raspend geluid), waarin de lezer weinig houvast krijgt: ‘Met een jonge god onder ziekwitte lakens/toen je hoorde dat jij het was/en hij struikelde alle trappen af.’ Wie is ‘je’/’jij’/’hij’? ‘Je’ koopt een kalf, omdat ‘je’ niet meer bij de mensen terecht kunt en aan het einde van het gedicht is ‘je’ niet langer mens, maar ‘tong lippen tong’.

Dichters moeten vooral verwarring zaaien, maar het wordt lastig op het moment dat een gedicht een verhalend karakter heeft, zoals Flatterzunge, en zowel vertelperspectief als context op geheel losse schroeven staan – dan heeft de lezer wel heel weinig in handen.

De bundel bevat een aantal zeer lange gedichten, waar ik over het algemeen genomen niet gek op ben, omdat ik vind dat de kracht van een goed gedicht vooral tot uitdrukking komt als de taal zoveel mogelijk gecomprimeerd is. In Happy passen dergelijke gedichten wel, omdat Janssen zich lijkt te verliezen in de taal, waardoor de taal een meditatieve toestand lijkt uit te drukken. Het is moeilijk om hieruit te breken.

Bijzonder aards is daarentegen de gedichtenreeks Ballade van een Alfahulp (1-4). Hierin laat Janssen haar oorspronkelijke taal schitteren: ‘Ik trek de gordijnen dicht als een lijkzak, de tengere/sigarettenhulzen van het bed, snijbloemgroen de deken/die makkelijk vuurt, het moet meteen.’ Het gebruik van krachtige en eigenzinnige metaforen benadrukken het grimmige perspectief van de alfahulp die haar werk misschien wel tegen wil en dank doet: ‘Het moet, de traagheid, mijn kinderhand tussen haar/benen en ik lach met haar mee, want voor mij is het erger,/ik ben ingehuurd, niet ik ga over twee dagen dood. (..)’

In het slotgedicht beseft de protagonist beseft dat ‘we zijn gekomen om te sterven’ en geluk komt na de dood. Ze refereert in Monkey naar het ironische ‘Een groot dichter’ van Kees Ouwens: ‘Toen strekte de dubbelgangster zich in mij uit./Ik was compleet gelukkig, en ik besefte ik ben/een groot dichteres nu’. De hele bundel komt samen, happiness alom.

 

GENRE Recensie

Sasja Janssen, Happy, Querido, 2017, 64 pagina’s, € 16,99

 

Lees het gedicht Ballade van een eendagsvlieg uit de bundel Happy hier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boos en machteloos tegelijk

Boos en machteloos tegelijk

Het Parool, PS zaterdag 20 januari 2018 De gruwelen in de wereld Dieuwertje Mertens De dichtbundels die Remco Campert (1929) de afgelopen jaren uitbracht, stonden in het teken van zijn naderend afscheid, maar in Open ogen dringt ook de actualiteit de bundel binnen: de dichter […]

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Over taal vs. terreur Frank Westerman meets Mohsin Hamid tijdens Writers Unlimited in Den Haag. Gespreksleider: Chris Keulemans. Kan taal een oplossing bieden bij geweld? Oftewel: kan een pen een wapen zijn? Deze vraag is zo idealistisch en naïef, dat de setting waarin hij gesteld […]

‘In America, you are black, baby’

‘In America, you are black, baby’

Kritische blik op de verhouding tussen blank en zwart in Amerika

Dieuwertje Mertens

Ifemelu keert na dertien jaar in Nigeria als Americanah (zo worden de ‘veramerikaanste’ Nigerianen genoemd die na een verblijf in de VS terugkeren), waar haar jeugdliefde Obinze na een mislukte immigratiepoging woont. De gelijknamige roman van de Nigeriaanse succesauteur Chimamanda Ngozi Adichie (1977) die zelf aan Yale University studeerde, laat zich niet alleen lezen als een verhaal over liefde en migratie, maar is tevens een scherpe cultuurkritiek.

Met de blik van buitenstaander neemt Ifemelu de verhoudingen tussen de blanke en zwarte Amerikanen en die van de verschillende klassen in Nigeria onder de loep. Dat doet ze onder meer via haar blog: ‘Raceteenth or Various Observations About American Blacks (Those Formerly Known as Negroes) by a Non-American Black’.

Zodra je in Amerika komt, ben je niet langer Nigeriaan, Jamaicaan of Ghanees. ‘In America, you are black, baby.’ Ook als je in het land van herkomst niet als zwart werd gezien. Vergeet je komaf, blogt Ifelmu: ook al groeide je op met de privileges van een blanke, nu ben je zwart. En dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee, zoals: voel je snel gediscrimineerd, ook al voel je je niet gediscrimineerd en blijf uit de buurt van crime scenes; je voldoet al snel aan het profiel van de dader[1].

Adichie heeft een groot talent voor het aan de dag leggen van misverstanden, verdekt racisme, (goedbedoeld) paternalisme en verborgen vooroordelen. Ze schrijft met humor, zonder te moraliseren, maar ook zonder te bagatelliseren. Het is juist die toon, die Americanah aantrekkelijk maakt.

Met name in de goed opgetekende dialogen komt naar voren hoe mensen worstelen met politieke correctheden en verborgen vooroordelen. Onvergetelijk zijn de gesprekken die Ifemelu voert op een feestje bij het blanke, welgestelde gezin bij wie ze op de kinderen past tijdens haar studie. De vrouw des huizes stelt haar voor als ‘Ifemelu uit Nigeria, oppas en vriendin’. Het nadrukkelijke ‘vriendin’ voelt al een beetje ongemakkelijk gezien de verstandhouding tussen die twee. Maar dan de enthousiaste reacties van de (louter blanke) genodigden: een stel is op een safari in Tanzania geweest, ze betalen nu de studie van de dochter van die ‘fantastische gids’, twee vrouwen doneren met liefde aan een kindertehuis in Botswana en een ander zit in het bestuur van een ontwikkelingsorganisatie in Ghana. Ifemelu voelt zich opgelaten en wenst op dat moment vurig aan de andere kant te staan: niet die van de ontvangende, maar van de gevende partij.[2]

Toch heeft Ifemelu het niet slecht voor elkaar: Ze studeert in Amerika, krijgt een goede baan en genereert een inkomen via haar succesvolle blog over ras, identiteit en afkomst. Kortom: ze leeft the American dream. Daartegenover staat het verhaal van haar jeugdliefde Obinze, die naar Londen gaat, in de illegaliteit belandt, door de immigratiedienst wordt opgepakt en op het vliegtuig terug naar Nigeria wordt gezet, waar hij uiteindelijk rijk wordt met vastgoed.

Draait het in Amerika vooral om het verschil tussen zwart en blank en het ontkennen van dat verschil, terug in het corrupte Nigeria worden de verschillen tussen de klassen benadrukt. Er blijkt een nieuwe economisch welvarend klasse opgestaan. Veel mensen met geld zijn corrupt en degenen zonder geld veelal bereid om corrupt te worden. Maar het is voornamelijk de positie van vrouwen die Ifemelu verwondert en frustreert: Een hoop Nigeriaanse vrouwen  van haar leeftijd zijn wanhopig op zoek naar een man en in de tussentijd zijn ze bijvrouw van welgestelde mannen in ruil voor geld en cadeaus.

Ifemelu, die in Amerika een transformatie heeft doorgemaakt, weet niet goed hoe ze zich tot haar nieuwe omgeving en Obinze moet verhouden. Wie is ze? En: In hoeverre wil ze zich aanpassen aan haar nieuwe omgeving? Ze blijkt eigenzinnig genoeg om er haar eigen draai aan te geven.

Americanah is een van de romans die aan bod komt bij de cursus De ander, over migratie en minderheden in de hedendaagse literatuur, die ik zal geven bij Het Literatuurhuis in Utrecht. De cursus begint op 6 maart. Je kunt je nog inschrijven via Het Literatuurhuis.

 

Chimamanda Ngozi Adichie; Americanah

Fiction

Anchor Books

588 blz.

(Dit boek is ook in Nederlandse vertaling verkrijgbaar, uitgegeven bij De Bezige Bij)

 

 

[1] Blz. 273

[2] Blz. 209

De kwetsbaarheid van de dingen

De kwetsbaarheid van de dingen

Het Parool, PS boeken 6 januari 2017 Dieuwertje Mertens In haar goed ontvangen debuut Papieren veulens (2013) schept Hanneke van Eijken (1981) een sprookjesachtige wereld met een scherp randje. Ook de opvolger Kozijnen van krijt is op het eerste gezicht een lieve bundel vol beelddronken […]

De beste boeken van 2017

De beste boeken van 2017

Het Parool, PS donderdag 28 december 2017 Zo’n eindejaarslijstje met de beste boeken, exposities en films van 2017 slaat natuurlijk nergens op. Ik schrijf over fictie en poëzie, dus ik moet appels met peren vergelijken. Bovendien heb ik bij lange na niet alles gelezen om […]

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

‘De lezer heeft me nu met huid en haar’

Het Parool, PS 4 november 2017

Dieuwertje Mertens

Schrijver en kunstenaar Charlotte Mutsaers werd afgelopen donderdag 75 jaar. Volgende week zaterdag viert ze Het Grote Charlotte Mutsaers Verjaardagsfeest in de Rode Hoed. Daar presenteert ze tevens haar roman Harnas van hansaplast, Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen en de lp Rikkelrak, waarop ze haar gedichten zingend voordraagt op muziek van Louis Gauthier. Dieuwertje Mertens legde haar citaten uit haar oeuvre voor.

 

Haar jeugd is een van de vele terugkerende thema’s in haar oeuvre: het grachtenpand waar ze opgroeide, haar eigenzinnige ouders die haar maar zo zelden knuffelden, de autoritaire opvoeding en de moeizame relatie met haar moeder. In haar nieuwe roman Harnas van hansaplast schrijft ze nu ook over haar broer Barend, die op 51-jarige leeftijd dood in bed werd aangetroffen ‘in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek, omringd door stapels porno’. Hij leidde een afgezonderd bestaan in hun ouderlijk huis in Utrecht. Samen met haar zus ontruimt ze zijn huis. Ze komt van alles over haar broer te weten.

 

Jarenlang heb ik getracht een boek over mijn broer te schrijven, maar ik kreeg het niet uit mijn pen. Grote lappen tekst zagen het levenslicht en werden met onevenredige snelheid weer verworpen. Dat had alles te maken met de spreuk die er op het gymnasium bij ons was in gehengst (..) over de doden niets dan goeds. (Hvh, 2017)

Wat maakte dat u na zestien jaar wel over uw broer kon schrijven?

‘Het duurt vaak heel lang voor ik een ingang voor een boek heb. Bij dat boek ging dat extreem moeilijk. Meteen toen ik bij mijn nieuwe uitgeverij Das Mag kwam, heb ik echter een heel stimulerend gesprek gehad over het voornemen een boek over mijn broer te schrijven. Dat heeft mij enorm geholpen. Soms heb je gewoon een redacteur nodig die de juiste vragen stelt.’

Zelfs alles wat zogenaamd ontspruit aan de fantasie blijkt in werkelijkheid ook al klaar te liggen om gewekt en uitgepakt te worden, zo ongeveer als Lazarus, wat een begrip als fictie nog niet op losse schroeven zet, maar ons wel duidelijk maakt dat herinnering en fantasie niet principieel gescheiden zijn. (Kersebloed, 1990)

Welke rol speelt fantasie in de roman over uw broer?

‘Eigenlijk wordt alles wat ik schrijf gekleurd door mijn verbeelding. Ik maak bij het schrijven dan ook niet zozeer onderscheid tussen fictie en non-fictie, als wel tussen literatuur en lectuur.’

U raakte in opspraak omdat u in de roman beschrijft hoe u de collectie porno, waaronder kinderporno, na de dood van uw broer verkoopt aan een handelaar.

‘Ik vind het onbegrijpelijk dat ik op het matje word geroepen over het waarheidsgehalte van bepaalde passages. En wat betreft interviews: ik vertel de waarheid in een interview, maar ik zal nooit mijn boek ontrouw worden, dan ondermijn je het.’

U ergert zich aanvankelijk aan uw broer, maar u schrijft ook met veel mededogen over hem. Had u het idee dat u hem moest sparen ten behoeve van zijn nagedachtenis?

‘Nee, zo ligt het niet. Zodra ik over hem begon te schrijven, werd hij een personage en ik kan niet over een personage schrijven zonder er empathie voor te hebben. Wat ook meespeelde: Ik heb sterk de wens gehad hem van een context te voorzien, omdat hij niemand gekend heeft. Ik heb niemand gekend die niet in gesprek was met andere mensen. Dat gaat je toch door je ziel? Hij heeft duizenden kattenbelletjes en snippers geschreven om met zichzelf in gesprek te blijven. Ik vond dat ook heel verrassend. Ik dacht: je hebt een eigen manier van schrijven uitgevonden. Ik heb een flinke lijst van die snippers geciteerd, omdat ik dacht: dat is niet mis wat hij allemaal te berde brengt over zichzelf. Je vraagt je af: voor wie?’

Ik dacht: dit is te goed om waar te zijn.

‘Nee, dit is een protovoorbeeld van la realité sur passe la fiction. Ik heb overwogen een fictief personage van hem te maken, maar hij brak er domweg doorheen.’

Ja, huilers kon je ons wel noemen, al huilden wij dan meestal stilletjes. Maar anders dan bij zeehondjes ontbrak het ons aan de vereiste schattigheid zodat die watervallen weinig opleverden. Dat kwam ook doordat wij nooit huilden om pijn, een harde val of ander concreet ongerief maar louter om ‘onzichtbare’ zaken zoals een inadequate bejegening, een gebroken belofte of ander geleden onrecht. We voelden ons snel verloren of in de steek gelaten. (Hvh, 2017)

Waarom begreep u uw broer zo goed als hij huilde?      

‘Wij gingen altijd op vakantie naar hotel Paasduin in Wijk aan Zee. ’s Avonds na het eten gingen mijn ouders naar café Bol. Wij, mijn broer, zus en ik, bleven dan in het hotel. Volgens mij was ik al een jaar of veertien – mijn zus mocht al met mijn ouders mee –  maar toen heb ik in het hotel alles bij elkaar gehuild. Het personeel kwam naar mijn kamer, maar kon mij met geen mogelijkheid troosten. Barend heeft een keer precies hetzelfde gehad. Ik mocht toen mee en hij bleef alleen achter. Toen we terugkwamen stond het hele hotel op stelten. We kwam de trap op en hoorden hem al erbarmelijk huilen. Toen hij ons hoorde, kwam hij zijn kamer uitgerend. Mijn moeder zei vol ontzetting: ‘Hij heeft toch geen kinderverlamming!’ Ik dacht: je begrijpt er echt helemaal niets van. Mijn broer en ik hadden soms last van existentiële huilbuien. Wees maar blij als je het kunt, denk ik nu, dan vindt het een uitweg.’

‘Bescheidenheit is eine Zier, doch weiter kommt man ohne ihr’ (Pappa).

‘Du Sublime au Ridicule il n’ya qu’un pas’ (de moeder). (De Markiezin, 1988)

 ‘U haalt deze citaten in meerdere boeken aan.

‘Deze twee citaten zijn vormend voor me geweest. Ik blijf er steeds weer naar terugkeren. Mijn moeder citeert Napoleon en lijkt iets tegen het sublieme te hebben. Het lijkt me niet meer dan normaal om het sublieme na te jagen. Mijn vader lijkt te zeggen dat je niet te terughoudend moet zijn en moet nastreven wat je belangrijk vindt in het leven.’

Bent u uw ouders ook op een of andere manier dankbaar voor de verhalen die ze u hebben gegeven?

‘Ik ben ze vooral dankbaar dat ze mij het leven hebben gegeven. Mooie verhalen hebben ze mij ook verteld, vooral mijn vader. Het is niet altijd vervelend geweest bij ons, hoor. Denk dat vooral niet. Mijn vader hield heel van mij. Ik was al zeven-en-een-half en mijn zusje tien toen Barend werd geboren. De boel was al gesetteld. Mijn broertje ervoer ik daardoor als de grote rustverstoorder, een indringer. Ik heb het van meet af aan verschrikkelijk gevonden; zo’n baby die krijst en alle aandacht opeist. Hij werd mijn moeders oogappel en ook mijn vader zag hem als de nieuwe stamhouder.’

Heeft u uw broer vergeven?

‘Ik hoefde hem niets te vergeven, want hij had mij niks misdaan.’

‘Bijna elke speurtocht die tot het eind toe wordt volbracht heeft iets teleurstellends. (..) Nooit rechtstreeks op je doel afstevenen en wegwezen voor je alles hebt achterhaald en benoemd, dat zijn zo’n beetje de huisregels uit mijn keukentje. (..) Bovendien blijft zo de drijfkracht voor een volgend boek bestaan.’ (Zeepijn, 1999)

‘Nou, daar ben ik het helemaal mee eens.’

Het zijn uw woorden. Is er nog genoeg over om te onderzoeken?

‘Natuurlijk, daar zal ik mijn leven lang niet mee klaarkomen. Daarom geloof ik niet dat er voltooide levens bestaan.’

‘Fictie raakt uit. (..) Is dat niet precies wat de lezer tegenwoordig van de schrijver wil? Jou wil hij. Met huid en haar. En niks minder dan dat. En zeker niks méér. Verder wil hij vooral, vooral geen spijt van je krijgen. Geef hem eens ongelijk.’ (Zeepijn, 1999)

Heeft de lezer u met huid en haar?

‘Na dit boek kun je dat misschien wel zeggen, ja. Maar mijn hart en ziel zijn er ook nog.’

De mens heeft tien gelukkige dingen: Een hond om uit te laten/Een vriendelijk gestemd huis/Twee haze-oren (..) maar voor al:/Iemand om thee mee te drinken. (Hazepeper, 1999)

 Beschikt u nu over al deze zaken?

‘Haze-oren heb ik helaas niet. En tegenwoordig drink ik geen thee meer. Ik drink iedere dag een glas champagne, dus ik zou het laatste vervangen door: iemand om champagne mee te drinken.’

Wow fantastic baby/I wanna dan dan dance/hi fantastic baby/dan dan dance

(..)is there more/fun dan rum/voor de stinkende/angst van het ik (LP Rikkelrak, 2017, luister hier)

Geeft u hiermee uitdrukking aan uw levenshouding?

‘Ik ben geboren met een vrolijke aard, maar ook met een neiging tot angst en melancholie.’

 

 

 

Charlotte Mutsaers; Harnas van hansaplast

FICTIE

Das Mag

312 blz.

20,99

 

Het grote Charlotte Mutsaers Kleurboek voor Nooit-volwassenen

Das Mag

9,99

 

Rikkelrak

(Vinyl, lp)

Das Mag

24,99

‘Zullen wij in de hemel komen?’

‘Zullen wij in de hemel komen?’

Het Parool, 3 november 2017 Dieuwertje Mertens Met haar derde roman, Hoor nu mijn stem, is Franca Treur (1979) terug in het Zeeland uit haar succesdebuut Dorsvloer vol confetti. In haar vorige roman, De woongroep, haalde ze een navelstaarderige, Amsterdamse yup uit haar comfortzone, wat […]

Theater van wreedheid en van veiligheid

Theater van wreedheid en van veiligheid

Zuivering: Tom Lanoye schrijft roman over angst in Europa In zijn nieuwe roman schetst Tom Lanoye de gevolgen van angst en paranoia voor de samenleving. Terreur krijgt de overhand. ‘Onderweg naar het station telde ik vandaag acht zwaarbewapende militairen.’   Dieuwertje Mertens Halverwege het gesprek […]

‘I am a tree’

‘I am a tree’

Black Literature en blondje meisjes

‘Wie mag ik helpen?’ vroeg de barman. Hij keek beurtelings van mij naar de zwarte man in pak naast mij. ‘Ik ben aan de beurt,’ zei de man en hij bestelde een chardonnay. Ik was er vrijwel zeker van dat ik aan de beurt was, maar liet hem voorgaan uit angst voor ‘racist’ te worden versleten. Op dit festival Read my World, Black USA was ik toch een soort outsider. Ik moest denken het vermanende gedicht op de poster van het Liliane Fonds die vroeger bij mijn opa en oma op het toilet hing: ‘als ik ziek ben, ben ik zwart/als ik het koud heb, ben ik zwart (..) als jij in de zon ligt, ben je bruin/als jij kwaad bent, ben je rood (..) en toch noem je mij een kleurling’. Ik geloof dat er een foto van lachende Afrikaanse kinderen naast het gedicht stond die me recht in het gezicht aankeken, terwijl ik met een rood hoofd op de pot zat. Het had me altijd een ongemakkelijk gevoel gegeven. Het was me aan te rekenen die witte huid.

In de zaal speelde een band The funky organizers. De zangeres was een bleke afro die omringd werd door een groep nerdy muzikanten, allemaal jongens die ook voor gamers konden doorgaan, behalve de blonde drummer met dreads tot op z’n billen. Langzaam druppelde het publiek binnen dat gemêleerd was, maar redelijk gesegregeerd een plek koos. Het ritme werd opgevoerd en de saxofonist met stramme heupen ging muzikaal helemaal los. Het was van een ontroerende contradictie. De black community van gastschrijvers op de eerste rij stond op en swingde de pan uit. De blonde meisjes in de zaal bleven zitten met samengeknepen billen en hun plastic bekertjes met drank nuffig in de lucht. Een van de curatoren, Maurice Carlos Ruffin, zei: ‘Dat is nou black joy! We enjoy life!’ Wij bleekschetige grietjes hadden daar alcohol voor nodig.  De verschillen kwamen niet alleen voort uit ons schandelijke verleden, maar waren ook ontstaan door de talige, geografische en economische omstandigheden, vertelde Ruffin.

Babs Gons gaf een ode aan Toni Morisson die haar voorbeeld was geweest in een wereld vol oude, witte mannelijke auteurs. De meisjes in haar keukenkastje hadden blond haar en blauwe ogen: de meisjes op de Brinta-verpakking, de Shampoofles.. Nooit waren ze donker en hadden ze kroeshaar.

‘Er bestaan ‘dominant narratives about blackness’.Maar er moet ruimte komen voor nieuwe ‘narratives about blackness’’, zei Ruffin. Daar moest dit festival aan bijdragen.

De twee curatoren gaven aan dat ze de gastschrijvers hadden geselecteerd op basis van  diversiteit, want ‘Black USA’ bestond natuurlijk niet, alsof het allemaal een pot nat was. En belangrijker nog: ze hadden gekozen voor schrijvers ‘who love black people’. Ik dacht aan een passage uit Americanah van Chimananda Ngozi Adichie, waarin de Nigeriaanse Ifelmu ‘Mariama African Hair Braiding’ bezoekt. Als ze vertelt dat ze uit Nigeria komt, lacht een van vrouwen in de kapsalon naar haar, ‘a smile that, in its warm knowingness, said welcome to a fellow African: she would not smile at an American in he same way.’

De gastschrijvers op het festival introduceerden zichzelf aan het publiek. Identiteit leek het belangrijkste thema in hun werk te zijn. Ik kreeg de indruk dat het allemaal nog pril was, een aantal auteurs was nog niet gedebuteerd, toch waren ze al een belangrijke stem in Black literature. Ze stonden aan de vooravond van iets wat nog veel groter zou worden.

Dichter en performer Morgan Parker droeg het gedicht All they want is my money, my pussy, my blood voor. Ze besloot met: ‘I am being set up./I am a tree and some fruits are good and some are bad.’ Die zin galmde nog even na in mijn hoofd. Samen waren we een heel bos.