Recent Posts

Niet zo’n liefdevolle blik

Niet zo’n liefdevolle blik

Het Parool, PS Boeken, 16 juni 2018 Drie liefdesverhalen en de male gaze Op welke manieren kijkt een man naar een vrouw? Ziet hij zijn eigen projecties en verlangens weerspiegeld of ziet hij haar gebreken? Is zijn blik hard en genadeloos of liefdevol? Zí­et hij […]

Vandaag gaat het gebeuren

Vandaag gaat het gebeuren

Woorden temmen met Kila&Babsie   Soms vergeet je – ook als (poëzie)criticus– hoe leuk poëzie is of kan zijn. Het dichterduo Kila&Babsie selecteerde voor haar prachtig vormgegeven Woorden temmen vierentwintig lievelingsgedichten, begeleid door (taaltechnische) wetenswaardigheden en opdrachten voor beginnende poëzie-lezers en –schrijvers. Het plezier spat […]

Tijd voor een seksuele revolutie

Tijd voor een seksuele revolutie

Het Parool, PS zaterdag 2 juni 2018,

Je bent maagd, vrouw-van of hoer

Dieuwertje Mertens

De Franse pers reageerde verbaasd op In de tuin van het beest van de Frans-Marokkaanse Leïla Slimani. Met haar achtergrond had men een ‘kuiser en meer ingetogen’ boek verwacht. Slimani schrijft echter ‘sans gêne’ over de seksverslaving van de getrouwde Adèle. Ze ontving hierop veel reacties van islamitische vrouwen en besloot vrouwen uit haar geboorteland te interviewen over seksualiteit. In Seks en leugens legt ze de hypocriete, schizofrene seksuele moraal binnen de Marokkaanse cultuur bloot waar je als vrouw maagd, vrouw-van of hoer bent.

 

Slimani laat zien dat de preoccupatie met verboden rondom seksualiteit niet zozeer uit de Koran komt (‘over seksualiteit zegt de Koran heel weinig’), maar uit de Marokkaanse samenleving. In Marokko staat op buitenechtelijke seks een gevangenisstraf van een maand tot een jaar. Dan zijn er nog wetten die homoseksuele neigingen, overspel en abortus bestraffen met detentie. De gevangenissen in Marokko moeten overlopen, zou je zeggen. Gelukkig is er zelfregulatie: met geld kun je je (zeden)misdrijf afkopen bij de politie. Correctie: in de gevangenis zitten alleen dieven, moordenaars en árme zedendelinquenten.

 

De lange arm der wet opent de slaapkamerdeur echter niet. ‘Zolang de buren geen klacht indienen bij Justitie omdat ze hinder ondervinden van een ongetrouwd stel, zullen die mensen nooit worden aangeklaagd’, zegt minister van Justitie, de islamitische Mustapha Ramid als hij voor l’Economiste in 2015 wordt ondervraagd over het verbod op buitenhuwelijkse betrekkingen. Ergens anders lezen we dat ‘het concept van een privéleven niet bestaat in Marokko.’ Met dit voorbeeld illustreert Slimani de hypocriete realiteit; het onveilige seksueel gefrustreerde klimaat.

Duivel tussen hun benen

Slimani spreekt met vrouwen uit alle lagen van de samenleving: gescheiden, gehuwde en ongehuwde, lesbische vrouwen. Niemand houdt zich aan de zedenwetten. Maar iedereen speelt haar dubbelrol met verve. ‘Marokkaanse mannen hebben de duivel tussen hun benen,’ vertrouwt prostituee F. haar toe: Ze willen wel seks hebben voor het huwelijk, maar staan erop een maagd te trouwen. Met de Egyptische feministe en schrijfster Mona Eltahawy deelt Slimani haar ergernis: Waarom laten vrouwen hun maagdenvlies herstellen of dragen ze een hoofddoek terwijl ze zich hebben bevrijd van bepaalde gedragspatronen? De feministe citeert Harriet Tubman, Amerikaans voorvechtster van de afschaffing van de slavernij: ‘Als ik meer slaven ervan had kunnen overtuigen dat ze slaaf waren, had ik er heel wat meer kunnen redden.’ Een ijzersterk antwoord.

 

Het gedrag van het hoofdpersonage van In de tuin van het beest, is een mooie metafoor voor de schizofrene seksuele moraal in de islamitische wereld. Adèle is journaliste, getrouwd met een arts die haar op handen draagt en moeder van een peuterzoon. Ze leidt een bevoorrecht leven in Parijs, maar voor Adèle is dit leven ‘bekrompen en armzalig, veel te alledaags.’ Ze wordt verscheurd door haar verlangens: ‘Onder de douche heeft ze de neiging zichzelf te krabben, haar lijf open te rijten. (..) Ze wil een speelpop zijn, in de tuin van een beest.’ Om te ontsnappen aan haar banale bestaan, heeft ze te pas en te onpas seks met andere mannen, tot haar man haar dubbelleven ontdekt. Ze besluit haar autonomie af te leggen; ze verhuist met haar gezin naar het platteland, stopt met werken, laat zich door haar man controleren en krijgt zakgeld.

 

De roman is goed geschreven vanuit het perspectief van een obsessieve verteller. Maar de echte zeggingskracht schuilt in de dubbele lezing: Voor de westerse lezer is niet zozeer het ongebreideld botvieren van de seksuele lusten het meest controversiële aspect van het verhaal, maar de vrijwillige onderwerping van Adèle aan haar man. Voor islamitische lezers is het wellicht eerder de gespletenheid van het karakter die hun een spiegel voorhoudt.

Onderwerping

Natuurlijk zijn schrijvers met een Arabische achtergrond niet verplicht ook Arabische karakters op te voeren in hun romans. De keuze om van Adèle op het eerste gezicht een doorsnee Franse vrouw uit de middenklasse te maken, lijkt echter een statement te zijn van de auteur (‘Ik laat me niet in het migrantenliteratuurhokje plaatsen’). Ergens in een bijzinnetje lezen we dat de vader van Adèle Algerijns is. Pas als haar vader sterft, krijgt hij een Arabische identiteit. Naakt gaat ze naast het opgebaarde lijk liggen: ‘Ze denkt aan haar vaders schaamte, zijn totale afkeer van naaktheid, zijn eigen en die van anderen. (..) hij kan niets meer inbrengen tegen haar obscene nieuwsgierigheid. Ze buigt zich over hem heen en maakt langzaam de lijkwade los.’ Die passage krijgt in het licht van Seks en leugens meer gewicht. Hier staan twee culturen tegenover elkaar: de vader in wie de Arabische geest is gedoofd, wordt overmeesterd door zijn (losbandige) westerse dochter.

 

‘In de Arabische wereld wordt het overwicht van de westerse levensstijl gezien als een verkapte vorm van kolonisatie’, schrijft Slimani in Seks en leugens. Het grootste verschil van mening tussen de westerse en islamitische wereld betreft niet de democratische waarden of de politieke systemen, maar de rol van de vrouw en de vraagstukken met betrekking tot seksualiteit, blijkt uit onderzoek Islam and the west (Inglehart & Norris, 2002). Slimani concludeert dat de ‘seksuele ellende’ ontwrichtende politieke, economische en sociale wortels heeft die voornamelijk vrouwen, jongeren en armen raakt.

 

De (illegale) praktijk is ontluisterend: dagelijks worden er honderden illegale abortussen uitgevoerd, de industrie voor maagdenvliesherstellende operaties floreert, homoseksuelen zijn hun leven niet veilig en vrouwen worden niet alleen buiten het huwelijk verkracht, maar moeten zich ook in het huwelijk aan de grillen van seksueel gefrustreerde mannen onderwerpen.

 

Seks en leugens is een belangwekkend, krachtig en bevrijdend boek waarin ze pleit voor seksuele rechten. Het is tijd voor een revolutie. Als bijkomend effect voorziet dit boek haar toch al indrukwekkende debuutroman van extra lading.

 

Leïla Slimani (1981) werd geboren in Rabat, Marokko. Ze studeerde in Parijs, waar ze nog steeds woont. Na haar afstuderen schreef ze voor weekblad Jeune Afrique over Noord-Afrika. Vorig jaar werd haar tweede roman Met zachte hand (2016), waar ze de Prix Goncourt voor won, in het Nederlands vertaald.

 

Leïla Slimani, Seks en leugens

Vertaald uit het Frans door Gertrude Maes

Nieuw Amsterdam

159 blz.

19,99

 

Leïla Slimani, In de tuin van het beest

Vertaald uit het Frans door Gertrude Maes

Nieuw Amsterdam

174 blz.

18,99

Lekker fietsen

Lekker fietsen

Gedichten van mensen met een verstandelijke handicap Één van de leukste albums die de afgelopen jaren is verschenen is De speeldoos ( 1 en 2) van Roos Rebergen en Torre Florim, waarop een aantal fantastische nummers staan met liedteksten die afkomstig zijn van mensen met […]

Hebben vrouwen Herman Stevens nodig?

Hebben vrouwen Herman Stevens nodig?

Het Parool, PS Boeken, zaterdag 12 mei 2018 Essays: 100 jaar vrouwenhaat in de literatuur ‘De beste tijd voor vrouwen komt nog’ In de essaybundel Het sterke geslacht breekt schrijver Herman Stevens een lans voor vrouwen in de literatuur. Maar hij blijft wel erg dicht […]

Nog niet moegestreden

Nog niet moegestreden

Het Parool, PS Boeken, 21 april 2018

Ras blijft de grote verdeler

Dieuwertje Mertens

Donderdag nam Antjie Krog de Gouden Ganzenveer in ontvangst. In de nu verschenen selectie essays Hoe alles verandert reflecteert ze op het complexe, moderne Zuid-Afrika.

‘Nur die Hoffnung kauert’ (alleen de hoop krimpt ineen, vrij naar het gedicht Früher Mittag van Ingeborg Bachman), schreef Antjie Krog (1952) voorin mijn exemplaar van Medeweten, nadat ik haar in 2015 had geïnterviewd over haar pogingen om de kloof tussen haarzelf en de ander te dichten. Toch is ze nog niet moegestreden of -geschreven, hoewel ze in haar Zuid-Afrika steeds opnieuw ondervindt hoe ras de grote verdeler is.

Donderdag nam ze de Gouden Ganzenveer 2018 in ontvangst voor haar ‘grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal’. Ook verscheen Hoe alles hier verandert, een selectie van de essays uit het geëngageerde drieluik De kleur van je hart (2000), Een andere tongval (2006) en Niets liever dan zwart (2010). In deze essays, die je parallel zou moeten lezen aan haar gedichten, reflecteert Krog op het complexe moderne Zuid-Afrika.

In het voorwoord beschrijft Krog hoe ze samen met haar moeder luistert naar Die Winterreise van Schubert, gezongen door tenor Peter Anders. Ze constateert dat deze opname ‘treffend tientallen jaren van smart omspant, en zich uitstrekt tot aan ons kwijnende bestaan, dat door een bredere mate van rechtvaardigheid in verval raakte’. Deze treurige observatie vat de ontwikkeling samen die ze in haar essays de afgelopen jaren heeft omschreven. Ze laat zien wat er met het land gebeurde na de bevrijding van Nelson Mandela, die tegen de apartheid streed. Ze put daarbij uit een breed scala aan ervaringen als journalist, docent, antiapartheidsactivist en witte Afrikaner uit een boerenfamilie.

Nieuwe zwarte elite

Ook na Mandela blijft ras de grote verdeler. Bij een bezoek aan haar geboortestad Kroonstad bemerkt Krog hoe er een nieuwe zwarte elite is opgestaan, terwijl de witten verarmd en ‘ontmenselijkt’ zijn. Haar broers, die de boerderij runnen, zijn angstig en bewapend, beducht op indringers – de afgelopen maanden zijn negentien boeren vermoord.

Krog ziet gespannen haar veertigste, maar eerste ‘gemengde’ verjaardagsfeest tegemoet – en inderdaad; er zijn zwarte en witte vrienden die rechtsomkeert maken, omdat ze aan de auto’s zien dat er ‘andere rassen’ op het feest zijn. Toch wordt het wonderwel een geslaagd feest. Wonderwel, omdat ze ook steeds weer ondervindt hoe ras een kloof slaat tussen haar en haar (zwarte of gekleurde) vrienden.

Jouw gemakkelijke ‘witte hokje’

Dat laat ze bijvoorbeeld zien in het essay Discussiëren is onmogelijk in dit land. Krog bezoekt haar vriend Sheridan Jooste, tevens een oud-collega met wie ze lesgaf op de middelbare school voor ‘bruinkinders’ in Kroonstad. Hij is nu directeur van een zwarte school. In een politieke discussie met een collega zegt hij: ‘Nu pas worden we wakker en beseffen we dat je de blanken er niet zo makkelijk toe krijgt dat ze afstand doen van hun macht. (..) We hebben hier niet te maken met echte medeburgers. Blanken genieten universele onschendbaarheid van hun blanke huid.’ En dat raakt Krog: ‘Jij, Sheridan Jooste, bent samen met mij weggerend voor de kogels van de Zuid-Afrikaanse politie en toch zet jij me liever terug in jouw gemakkelijke “witte hokje”. Als ik een stereotiepe blanke ben, dan kun jij om de problemen rond goede en slechte witten en goede en slechte zwarten heen. Je kunt moeilijke morele beslissingen uit de weg gaan en je met een zuiver geweten inzetten voor je burgerlijke eigenbelang.’ Ze vindt het direct ook heel erg wat ze zegt.

Verjij-en

Dat grote zelfbesef, in combinatie met de frustratie door het onrecht dat zij en haar vriend elkaar in zo’n discussie aandoen, is kenmerkend voor Krog. “We denken dat we een goed mens zijn, maar we zijn een racist,” zei ze tijdens het interview in 2015. Je hoeft er maar een dicht- of essaybundel op na te slaan om te weten hoe zwaar dat besef weegt voor Krog.

Waarom zijn we zo verdeeld? Krog ziet een verschil in beleving van de ‘ik’ van de zwarte en de witte bevolking. Witte mensen zijn doorgeslagen in hun individualisme. De enige manier om de kloof tussen zwart en wit te dichten is tot een gezamenlijk soort ‘ik’ te komen, zoals de Afrikaanse filosofie Ubuntu voorschrijft (‘ik ben omdat wij zijn’). Volgens de dichter is het onze plicht om de ander te wórden. Daar dicht ze over in Om te verjij-en (in: Medeweten), een van haar mooiste gedichten: ‘(..) je onbedwingbare adem/ maak van ons/ mettertijd/ zwaartekracht talmend lichthoofdig/ Jij als ik weet dat ik wij ben (..)’

Door de taal hardop te verklanken, krijgen woorden hun ware betekenis. Voordracht is altijd een van de belangrijkste pijlers van het werk van Krog geweest. Ze verwoordt dat ook in Dichter wordende (Wat de sterren zeggen, 2004):

Dichter wordende

op een ochtend word je wakker midden in klank

met vocaal en klinker diftong als voelspriet

om met aarzelende zorg de lichtste beroering

van licht en verlies in klank te ijken

 

om jezelf onmiddellijk geknield te vinden

boven de hoorbaar kloppende wand

van een woord – zoekend naar het precieze

ogenblik waarop een versregel volloopt in klank

 

wanneer de betekenis van een woord zwicht,

begint te glijden en zich eindelijk overgeeft aan geluid

van dat ogenblik af smacht het bloed naar incantantie

van taal – de enige waarheid staat geveld in klank

 

de dichter dicht met haar tong

zij haalt adem – ja, diep uit haar oor

 

Maar Krog ervaart ook hoe taal en waarheid soms niet toereikend zijn. In een essay in Hoe alles hier verandert beschrijft ze een bezoek aan een ziekenhuis aan de Oost-Kaap, waar Zuid-Afrikaanse artsen niet willen werken vanwege de uitzichtloze situatie.

Ze schildert de wanhoop en uitzichtloosheid van de tb-patiënten met aids in de vrouwenvleugel. In een van de bedden ligt een broodmagere vrouw: ‘Zwart been gesplinterd. Geen behoefte aan taal. Alleen adem om het zieke bloed rond te laten gaan. (..) Dit is het einde van de wereld. En ik heb niks om ergens zin aan te geven. (..) Mijn longen zoeken radeloos naar een woord om uit te ademen… zoals appel en getralied licht. Ze voor een laatste keer te baden in een wereld die mooier is dan dromen.’

Met zulke zinnen heft ze het verschil tussen een essay en een gedicht op. Hoewel de dichter zichzelf tekort voelt schieten, weet de lezer dat de prachtige verwoording van dit streven misschien geen zingeving biedt, maar wel verbindt – en daarmee toch hoopvol is.

*Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad. Ze debuteerde in 1970 met de dichtbundel Dogter van Jefta. Ze heeft ondertussen tientallen titels (poëzie, proza, toneel en essays) en prijzen op haar naam staan. Belangrijke thema’s in haar werk zijn Zuid-Afrika, ongelijkheid, vrouw-zijn en ouder worden.

 

‘Liefde kan pas als je naar elkaar luistert’

‘Liefde kan pas als je naar elkaar luistert’

Het Parool, Boeken, 7 april 2018 Macht: Vrouwen, mannen en relaties Dieuwertje Mertens In De antwoorden van Catherine Lacey legt personage Kurt Sky het aan met verschillende vrouwen om aan al zijn behoeftes te voldoen. ‘Gender speelt een belangrijke rol.’ De Amerikaanse auteur Catherine Lacey […]

Dorrestein doet zelf haar laatste zegje

Dorrestein doet zelf haar laatste zegje

Het Parool, Boeken, zaterdag 31 maart 2018 Zelfportret: Journalist, feminist, romanschrijver, sterfelijk mens Dieuwertje Mertens De euforie over het idee voor een nieuwe roman is van korte duur als blijkt dat Renate Dorrestein slokdarmkanker heeft. Met Dagelijks werk is ze potentiële biografen voor. ‘Stel je […]

Energiek debuut over een identiteit

Energiek debuut over een identiteit

Het Parool, Boeken, 17 maart 2018

Hier gebeurt wat

Dieuwertje Mertens

Er zijn auto’s met glimmende velgen, stof, vrouwen met billen als bumpers, de geur van chemische ontkroezer, mannen met zwetende bierflesjes in hun hand, dorstige aarde, apocalyptische regenbuien en toeristen: ‘altijd lachen naar toeristen/dat heet opvoeding’. In haar krachtige en onconventionele poëziedebuut Habitus laat Radna Fabias (1983) het eiland zien waar ze opgroeide en onderzoekt ze wat ‘thuis’ is.

Op 17-jarige leeftijd kwam Fabias van de Nederlandse Antillen naar Nederland om aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht te studeren. Het openingsgedicht ‘wat ik verstopte’ waarin ze ons haar eiland toont, bestaat uit links en rechts op de pagina gecentreerde tekst. Hierdoor lijkt er meerstemmigheid te ontstaan. Wat Fabias rechts op de pagina laat zien van het eiland, wordt links becommentarieert of aangevuld. De afwijkende pagina-indeling zet de lezer op scherp: hier gebeurt wat.

We volgen de verteller naar Nederland, waar haar onstuimige en soms nachtmerrieachtige zoektocht naar identiteit begint.  De ‘migrant’ wordt heen en weer geslingerd tussen culturen. Van haar grootmoeder erft ze ‘kapitaal’: ‘ik krijg/vijf trucs om gokkasten te laten betalen/een simpele manier om geld te maken/acht manieren om de man thuis te houden waaronder/vier brouwsels voor een strakkere kut.’ De ‘ik’ beziet het met ironie, de relatie met ‘de man’ is een moeizame. ‘Mannen kun je niet vertrouwen’ is een (over)grootmoederlijk advies dat ze krijgt.

Het lijkt of iemand de stop uit Fabias heeft getrokken, zoals je de stop uit een bad trekt: kolkend is ze leeggelopen. Ze spreekt in metaforen, dwangmatige herhalingen en ze maakt (feministische) statements in soms overdreven gearticuleerde zinnen, zoals: ‘de waarzegster vraagt mij wat mij bij haar brengt ik zeg/de winter heimwee fictieve uitzichtloosheid en het onvermogen om mijn culturele/ achtergrond uit mijn identiteit te amputeren.’

Toch wordt die identiteit niet alleen bepaald door haar afkomst en de migratie naar Nederland. Belangrijker is misschien wel dat ze vrouw is en ‘thuis’ misschien geen fysieke plek is, maar de mogelijkheid om zichzelf te zijn.

Aan het einde van de bundel constateert de verteller, die zichzelf ‘de ballotant’ noemt, cynisch dat ze zich aan de Nederlandse cultuur heeft aangepast. Ze gidst ons door Nederland, polderland aan de hand van een uitputtende, bezwerende opsomming. Haar  debuut doet de Nederlandse poëzie op haar grondvesten schudden.

Doorbreek dat witte bastion

Doorbreek dat witte bastion

Het Parool, Zaterdag 3 maart Boeken POËZIE – Spoken word draagt bij aan inclusieve literatuur Dieuwertje Mertens De Nederlandse poëzie is wit en hoogopgeleid. Maar dat kan veranderen. Dichters met andere (culturele) achtergronden vinden hun weg naar de uitgeverij, onder meer via spoken word; voordracht […]

Gevoel voor ritme, timing en drama

Gevoel voor ritme, timing en drama

Het Parool, PS Boeken 10 februari 2018 Dieuwertje Mertens De Vlaamse schrijver en dichter Carmien Michels (1990) laat in haar poëziedebuut We komen van ver zien waar ze vandaan komt. Dat doet ze met de nodige zelfrelativering en humor. Een van de gedichten draagt de […]

Grimmig literair zusje van Spit

Grimmig literair zusje van Spit

Het Parool, PS Boeken 3 februari 2018

Dieuwertje Mertens

Wat gebeurt er met een gezin als er een kind overlijdt? In haar debuutroman De avond is ongemak laat Marieke Lucas Rijneveld (1991) door de ogen van de tienjarige Jas zien hoe het gereformeerde boerengezin gezin waarin ze opgroeit ten gronde wordt gericht als haar oudere broer Mathies nooit meer thuiskomt.

 

Rijneveld, die zelf opgroeide op een boerderij in Noord-Brabant, debuteerde in 2015 met de dichtbundel Kalfsvlies. Ze gaat als Marieke en soms ook als Lucas door het leven. Ze won onder meer de C. Buddinghprijs 2016 voor het beste poëziedebuut. In haar roman presenteert ze zich als het literaire zusje van de Vlaamse dichter en schrijver Lize Spit die in 2016 debuteerde met de bestsellerroman Het Smelt en die de roman van Rijneveld aanprijst op de achterflap. Er zijn veel gelijkenissen tussen de twee romans. Wie weet zijn ze de vooraankondiging van een nieuwe lichting literaire coming of age streekromans (van een grimmiger slag dan de boerenliefdesromannetjes die het predicaat ‘streekroman’ krijgen). De auteurs hebben goed naar Jan Wolkers gekeken.

 

Beide romans zijn geschreven vanuit het perspectief van meisjes die opgroeien in een boerengezin onder beklemmende en uitzichtloze omstandigheden. Ze worstelen met hun ontluikende seksualiteit en gaan gebukt onder een hartverscheurende eenzaamheid waar zelfs het driemanschap waar de meisjes van Spit en Rijneveld deel van uitmaken geen einde aan kan maken. Het hoofdpersonage van Spit is bevriend met twee jongens, ze noemen zich ‘de drie Musketiers’, dat van Rijneveld is teruggeworpen op haar broer en zus; ‘de drie koningen’.

 

‘Ik was tien en deed mijn jas niet meer uit,’ luidt de openingszin van Jas, de protagonist van Rijneveld. Ze mag niet mee schaatsen, want Mathies gaat ‘naar de overkant’ en daar is Jas nog te klein voor. ’s Avonds staat de veearts voor de deur om te vertellen dat Mathies dood is; hij is door een wak gezakt. Vanaf dat moment is het leven voorbij voor het gezin. Vader en moeder zijn kapot van verdriet en Jas en haar broer Obbe en zus Hanna staan er alleen voor. Er ontstaat onder ‘de drie koningen’ een hardvochtig verlangen gered te worden door zanger Boudewijn de Groot, of anders de veearts, die aan ‘de overkant’ van het water woont.

 

De vertelling staat bol van de symbolische verhaallijntjes die het overkoepelende verhaal moeten bekrachtigen: Jas, geboren op dezelfde dag als Hitler (het kwaad huist in haar) denkt dat er Joden in de kelder schuilen voor wie moeder stiekem zorgt, zelf verschuilt ze zich in haar jas. Het lukt haar niet meer om te poepen (ze kan niet loslaten), de twee padden die ze op haar kamer verstopt, weigeren te paren (ze zijn net als vader en moeder niet meer in staat elkaar lief te hebben). En de dood waart letterlijk door de boerderij als alle koeien moeten worden afgemaakt in verband met MKZ.

 

Rijneveld zet haar kwaliteiten als dichter veelvuldig in. De roman bevat veel beeldende zinnetjes die blijven hangen, zoals: ‘Sommige woorden zijn nog te groot voor jouw kleine oortjes, die passen er nog niet door (..).’ Of als Jas vader nakijkt ‘(..) tot hij nog maar een klein zwart stipje op de dijk is, een vogel die uit zijn zwerm is gevallen.’

 

Het is een duistere en verstikkende roman, waar je zelfs als lezer af en toe uit weg wil vluchten. Je zal dat kind maar zijn, gevangen in een huis vol verdriet en in een lichaam dat verandert. Broer Obbe en de zusjes Hanna en Jas ondergaan de transformatie naar de puberteit gedrieën. Het uitvoeren van morbide (seksuele) experimenten op dieren en de aandrang om allerhande metalen voorwerpen in lichaamsopeningen te stoppen horen daar blijkbaar bij (op het rauwe platteland). Het hoofdpersonage van Spit wordt door haar vrienden verkracht met een gaatjesmaker. Met  de hulp van Jas verkracht Obbe haar vriendin Belle met een ‘pistolet’ (metalen inseminatiepistool, red.) waar ze stikstof in doen. Enfin, dat de kinderen ontsporen mag duidelijk zijn.

 

Dat Jas steeds meer in de war raakt, maakt Rijneveld inzichtelijk door de gebeurtenissen richting het plot minder scherp te presenteren alsof er een vlies tussen de verteller en de wereld is komen te liggen. Ze toont daarmee ook haar stilistische kwaliteiten als prozaschrijver; je kunt het met recht een verdienstelijk romandebuut noemen. Het is echter onduidelijk waarom Rijneveld zich in deze roman inhoudelijk zo spiegelt aan Spit; een grimmige knipoog van het ene plattelandsmeisje naar het andere?

 

Marieke Lucas Rijneveld; De avond is ongemak

De Arbeiderspers

272 blz.

19,99