Dieuwertje Mertens journalist- redacteur- docent

Recent Posts

‘Zullen wij in de hemel komen?’

‘Zullen wij in de hemel komen?’

Het Parool, 3 november 2017 Dieuwertje Mertens Met haar derde roman, Hoor nu mijn stem, is Franca Treur (1979) terug in het Zeeland uit haar succesdebuut Dorsvloer vol confetti. In haar vorige roman, De woongroep, haalde ze een navelstaarderige, Amsterdamse yup uit haar comfortzone, wat […]

Theater van wreedheid en van veiligheid

Theater van wreedheid en van veiligheid

Zuivering: Tom Lanoye schrijft roman over angst in Europa In zijn nieuwe roman schetst Tom Lanoye de gevolgen van angst en paranoia voor de samenleving. Terreur krijgt de overhand. ‘Onderweg naar het station telde ik vandaag acht zwaarbewapende militairen.’   Dieuwertje Mertens Halverwege het gesprek […]

‘I am a tree’

‘I am a tree’

Black Literature en blondje meisjes

‘Wie mag ik helpen?’ vroeg de barman. Hij keek beurtelings van mij naar de zwarte man in pak naast mij. ‘Ik ben aan de beurt,’ zei de man en hij bestelde een chardonnay. Ik was er vrijwel zeker van dat ik aan de beurt was, maar liet hem voorgaan uit angst voor ‘racist’ te worden versleten. Op dit festival Read my World, Black USA was ik toch een soort outsider. Ik moest denken het vermanende gedicht op de poster van het Liliane Fonds die vroeger bij mijn opa en oma op het toilet hing: ‘als ik ziek ben, ben ik zwart/als ik het koud heb, ben ik zwart (..) als jij in de zon ligt, ben je bruin/als jij kwaad bent, ben je rood (..) en toch noem je mij een kleurling’. Ik geloof dat er een foto van lachende Afrikaanse kinderen naast het gedicht stond die me recht in het gezicht aankeken, terwijl ik met een rood hoofd op de pot zat. Het had me altijd een ongemakkelijk gevoel gegeven. Het was me aan te rekenen die witte huid.

In de zaal speelde een band The funky organizers. De zangeres was een bleke afro die omringd werd door een groep nerdy muzikanten, allemaal jongens die ook voor gamers konden doorgaan, behalve de blonde drummer met dreads tot op z’n billen. Langzaam druppelde het publiek binnen dat gemêleerd was, maar redelijk gesegregeerd een plek koos. Het ritme werd opgevoerd en de saxofonist met stramme heupen ging muzikaal helemaal los. Het was van een ontroerende contradictie. De black community van gastschrijvers op de eerste rij stond op en swingde de pan uit. De blonde meisjes in de zaal bleven zitten met samengeknepen billen en hun plastic bekertjes met drank nuffig in de lucht. Een van de curatoren, Maurice Carlos Ruffin, zei: ‘Dat is nou black joy! We enjoy life!’ Wij bleekschetige grietjes hadden daar alcohol voor nodig.  De verschillen kwamen niet alleen voort uit ons schandelijke verleden, maar waren ook ontstaan door de talige, geografische en economische omstandigheden, vertelde Ruffin.

Babs Gons gaf een ode aan Toni Morisson die haar voorbeeld was geweest in een wereld vol oude, witte mannelijke auteurs. De meisjes in haar keukenkastje hadden blond haar en blauwe ogen: de meisjes op de Brinta-verpakking, de Shampoofles.. Nooit waren ze donker en hadden ze kroeshaar.

‘Er bestaan ‘dominant narratives about blackness’.Maar er moet ruimte komen voor nieuwe ‘narratives about blackness’’, zei Ruffin. Daar moest dit festival aan bijdragen.

De twee curatoren gaven aan dat ze de gastschrijvers hadden geselecteerd op basis van  diversiteit, want ‘Black USA’ bestond natuurlijk niet, alsof het allemaal een pot nat was. En belangrijker nog: ze hadden gekozen voor schrijvers ‘who love black people’. Ik dacht aan een passage uit Americanah van Chimananda Ngozi Adichie, waarin de Nigeriaanse Ifelmu ‘Mariama African Hair Braiding’ bezoekt. Als ze vertelt dat ze uit Nigeria komt, lacht een van vrouwen in de kapsalon naar haar, ‘a smile that, in its warm knowingness, said welcome to a fellow African: she would not smile at an American in he same way.’

De gastschrijvers op het festival introduceerden zichzelf aan het publiek. Identiteit leek het belangrijkste thema in hun werk te zijn. Ik kreeg de indruk dat het allemaal nog pril was, een aantal auteurs was nog niet gedebuteerd, toch waren ze al een belangrijke stem in Black literature. Ze stonden aan de vooravond van iets wat nog veel groter zou worden.

Dichter en performer Morgan Parker droeg het gedicht All they want is my money, my pussy, my blood voor. Ze besloot met: ‘I am being set up./I am a tree and some fruits are good and some are bad.’ Die zin galmde nog even na in mijn hoofd. Samen waren we een heel bos.

 

 

 

Literaire wereld wordt voorzichtiger en harder

Literaire wereld wordt voorzichtiger en harder

Het Parool, PS Zaterdag 30 september 2017 Een optreden bij DWDD, een succesvolle blog, lovende recensies: om je boek aan de man brengen lijkt steeds meer nodig te zijn. En wat doe je als je eerste drie niet verkopen? ‘Niet iedereen kan doorgaan.’ Dieuwertje Mertens, […]

‘Als een moeder sorry zegt’

‘Als een moeder sorry zegt’

Het Parool, zaterdag 23 september 2017 Recensie Ronelda S. Kamfer – Mammie Dieuwertje Mertens In Mammie dicht de Zuid-Afrikaanse dichter Ronelda S. Kamfer (1981) over haar onlangs overleden moeder en hoe het haarzelf en haar omgeving sindsdien vergaat. Dat doet ze op openhartige wijze en […]

‘Er wordt bijna nooit serieus over religie geschreven’

‘Er wordt bijna nooit serieus over religie geschreven’

Het Parool, zaterdag 16 september 2017

Recensie Maarten van der Graaff – Wormen en Engelen

Dieuwertje Mertens

‘Een jeugd op het platteland, in de gereformeerde kerk, gevolgd door de trek naar de stad. (…) Het is een bekend Nederlands recept: verwijdering van ouders en familie, heimwee vermengd met triomf, ontluikend kunstenaarschap (onbegrepen in de oude kring). Dan dient een nieuwe familie van interessante vrienden en geliefden zich aan, seksuele emancipatie en opwaartse mobiliteit volgen, gesymboliseerd door muziek, feesten, romans, exposities, films. De ontwikkeling richting een groter individualisme is voltooid.’

Dichter Maarten van der Graaff (1987) ziet welke clichés er op de loer liggen in Wormen en engelen, waarin verteller Bram Korteweg een dergelijk pad bewandelt. Toch is zijn debuutroman maatschappelijk relevant en volstrekt origineel. Een prestatie, des te meer omdat er ook wel wat af te dingen valt op deze coming of age van de navelstaarderige student die reflecteert op zijn relatie met het christendom.

Bram is net als de auteur opgegroeid in een kleine gemeenschap op Goeree-Overflakkee. Hij gaat kunstgeschiedenis studeren in Utrecht, waar zijn oude ‘ik’ in botsing komt met zijn nieuwe identiteit. Zijn vriend Felix en geliefde Lena nemen hem mee in het uitgaansleven en laten hem een andere wereld zien.

Bij de oecumenische theologische werkgroep Uterque vindt Bram de vrijheid om over religie te spreken, zonder dat hij geridiculiseerd wordt. Een religieuze opvoeding is geen ‘aangeleerd kunstje’ dat je zomaar van je afschudt.

De compositorisch rommelig opgezette roman bestaat uit losse anekdotes over Brams jeugd, Uterque, een liefdesrelatie omgeven door veel studentikoos geneuzel, mailcorrespondenties met christelijke vrienden. Van der Graaff lijkt aanvankelijk nog zoekende naar een fijne schrijfstijl: hij combineert steekwoorden met breedsprakigheid en heeft weleens moeite met het vinden van treffende formuleringen, wat zich soms uit in ongelukkige frases als ‘het onlogische van seks’. Een paar hoofdstukken later is hij echter stilistisch op dreef en neemt hij de lezer mee op een oprechte en intelligente zoektocht naar religieuze identiteit.

Van der Graaff weeft een indrukwekkende hoeveelheid kennis over theologie door het verhaal, zonder dat hij nadrukkelijk ‘de intellectueel’ probeert uit te hangen. Hij is openhartig over het zoekende karakter van zijn roman. Bram zegt op een gegeven moment: ‘Het maakt uit of en aan wie je een verhaal vertelt. Zowel jouw leven als dat van de ander zal erdoor veranderen’. En even later: ‘Er wordt bijna nooit serieus over religie geschreven. Op een complexe manier. Ook niet in fictie trouwens.’ Bij deze.
Wormen en engelen lees je niet voor het superplot, maar wel om op een meer genuanceerde manier naar religie te kijken en nieuwe inzichten op te doen.

fictie; Maarten van der Graaff, Wormen en engelen, Atlas Contact
****

 

Een moederloos bestaan

Een moederloos bestaan

Het Parool, zaterdag 9 september 2017 Recensie Jente Jong- Het intieme vreemde Dieuwertje Mertens De roman Het intieme vreemde van theatermaker Jente Jong (1985) is geen lichtzinnig debuut. Hoofdpersoon Sara verloor, net als de auteur, op jonge leeftijd haar moeder. Ze raakt ervan overtuigd dat […]

Opzwepend en bevrijdend

Opzwepend en bevrijdend

Het Parool, Boeken, 22 juli 2017 Recensie Marije Langelaar- Vonkt Dieuwertje Mertens Vonkt, de derde bundel, van Marije Langelaar (1978), is sprookjesachtig en overtuigend. Haar gedichten variëren van vervreemdend en onheilspellend tot opzwepend en bevrijdend. De bundel opent met een profetische nachtmerrie: Ik werd wakker […]

Onstilbare kinderwens

Onstilbare kinderwens

Het Parool, Boeken, 15 juli 2017

Recensie Ariel Levy – De regels gelden niet

Ariel Levy at Kelly Writers House 2016, bron: Wikipedia
Ariel Levy at Kelly Writers House 2016, bron: Wikipedia

Dieuwertje Mertens

Het leven is geen roman, maar je kunt er wel een literair verhaal van maken. Dat doet journaliste Ariel Levy (1974) in haar memoires De regels gelden niet. Ze construeert een samenhangend verhaal waarin het hedonisme van de jaren tachtig, een onconventionele levensstijl, haar kinderwens en rouw de rode draad vormen.

Levy schrijft essays over feminisme en gender voor het culturele tijdschrift The New Yorker. Internationaal werd ze bekend met het baanbrekende essay Female chauvinist pigs (2005) over de pornoficatie van Amerika.

De belangrijkste momenten in het leven van de journaliste worden gekenmerkt door situaties waarin de regels niet opgaan. Haar moeder hield er een minnaar op na. ‘En als Marcus langskwam kon alles.’ Haar partner was alcoholiste. Levy begon een affaire met haar tot man omgebouwde ex-vriendin. En er ontstond een kinderwens.

‘Ik was bang dat moeder worden erop neerkwam dat je je hoofdrol in je eigen leven vrijwillig opgaf,’ schrijft ze. Maar als Levy om zich heen kijkt, merkt ze dat te lang wachten ook niet loont. Vrouwen in haar omgeving ondergaan inseminaties, ivf en hormoonbehandelingen.

Terloops, maar niet geheel onnadrukkelijk, borduurt Levy opmerkingen over vruchtbaarheid door haar verhaal die in een soort crescendo uitmonden in een onstilbaar verlangen naar een kind. Haar situatie is verre van ideaal – op dat moment is ze 37 jaar oud en getrouwd met een vrouw. Maar ze vindt al snel een vriend bereid om zaad te doneren en is na een inseminatiepoging zwanger.

Als Levy vijf maanden zwanger is, vertrekt ze voor een – voorlopig laatste – avontuurlijke reportage naar Mongolië. ‘Ben je niet goed wijs?’ vraagt een vriend voor vertrek. En alsof ze wordt gestraft voor haar onverantwoordelijke keuze, krijgt ze in Mongolië een miskraam (er is overigens geen causaal verband). Bij terugkomst stort haar huwelijk in en verliest ze ook nog eens haar huis. Ze is gebroken. Door haar leven na te lopen, probeert ze de weg naar herstel te vinden.

Zo samengevat, rieken haar memoires naar een zelfhulpboek. Dat is het allerminst. Aan de hand van allerhande vlot gestileerde anekdotes over haar jeugd, haar liefdesleven en haar werk portretteert Levy niet alleen haar eigen leven, maar ook het culturele leven in New York en dat van een generatie die denkt dat de regels niet voor haar opgaan.

Door het verhaal van een maatschappelijk en cultureel decor te voorzien is het meer geworden dan een boek over enkel haar particuliere rouw. Hierin is duidelijk te zien wat een goede verhalenverteller Levy is.

Ze raapt zichzelf bijeen en durft uiteindelijk heel voorzichtig weer te fantaseren over nieuwe avonturen. Die maak je niet mee als je op de geijkte paden blijft.

****

NON-FICTIE ARIEL LEVY DE REGELS GELDEN NIET Vertaald door Leen Van Den Broucke, Atlas Contact, €19,99. 208 blz.

 

Persoonlijk, maar zonder navelstaren

Persoonlijk, maar zonder navelstaren

Het Parool, Boeken, 1 juli 2017, De Stentor, Boeken, 1 juli 2017 Romandebuut: Lieke Marsman laat zien dat ze meer kan dan dichten Dichter en filosoof Lieke Marsman toont zich met Het tegenovergestelde van een mens, over een jonge klimaatwetenschapper die worstelt met de liefde, […]

Activistisch Amerikaans

Activistisch Amerikaans

Het Parool, Boeken, 17 juni 2017 Recensie Mannen leggen me altijd alles uit – Rebecca Solnit Dieuwertje Mertens ‘Zo iemand als Rebecca Solnit hebben wij niet in Nederland’, schrijft Marja Pruis in de inleiding van de vertaalde essaybundel Mannen leggen me altijd alles uit van […]

Poëzie als een eerste lentedag

Poëzie als een eerste lentedag

Het Parool, Boeken, Zaterdag 6 mei 2017

Recensie De boom valt op mij, Ilse Starkenburg

Dieuwertje Mertens

Je zou bijna vergeten dat er nog iets als een bescheiden, niets-bijzonders, niks-aan-de-hand dagelijks leven bestaat als je er de poëzie van de laatste tijd op naslaat: de boventoon wordt namelijk gevoerd door echtscheidingsdrama’s en heus engagement (de actualiteit, maatschappelijke rampen). Ilse Starkenburg (1963) blijft geheel onmodieus relatief zorgeloos in haar nieuwe bundel De boom valt op mij.

Dat betekent: weinig drama, wel veel gemijmer en melancholie, zoals in het openingsgedicht Zwoel: een dag in augustus in Groningen/ zou eeuwig duren, eeuwig duren/ we lagen met z’n drieën naakt op een dak/ verstopt tussen omringende huizen (…) we zouden ouder worden/ onze vriendschap moeten achterlaten/ op een dag, op een dak/ in een gedicht

Haar poëzie verraadt dat ze een kind is van haar generatie. Ze debuteerde in 1990. Haar gedichten hebben nog steeds de voor die generatie kenmerkende antihermetische, luchthartige parlandotoon.

De bundel bestaat uit fijne, gedegen, dromerige gedichten, die soms een verwijzing naar de filosofie of de literatuur bevatten en regelmatig eindigen met een twist of een grapje: ik wil je zien/ als je alleen bent/ maar dat kan niet/ want dan ben je niet meer alleen, naar Wittgenstein. Soms zijn die grapjes een beetje wrang: haar taal was zo kaal/ als het hoofd van haar vader// niet lachen, want het kan zijn dat/ er eerder is gelachen om hem (…) laat geen taal na in de wereld anders/ val je ervan van af, dat was zijn laatste/ grap voor hij verdween met/ haar met huid en ook de hoed was meegegaan

Maar echt verontrustend wordt het allemaal niet, zelfs niet in het titelgedicht: De boom valt op mij,/ ik trek hem aan, omdat ik groen draag. De ‘ik’ berust in haar lot. Ze draagt lekker pragmatisch groen, ‘omdat blauw in de was was’. Daar doet de kreet van de gevallen kruin van de boom geen afbreuk aan.

De gedichten zijn aangenaam en vertrouwd als een eerste lentedag. Je voelt de zon op je gelaat, je denkt: fijn, het is weer voorjaar, er is geen wolkje aan de lucht. Maar maakt dat wolkje aan de lucht niet juist het gedicht? Het is niet erg om onmodieus te zijn. Ook hoeft poëzie niet met een spandoek de straat op, maar enig gevoel van urgentie maakt dat de gedichten je ook bijblijven.

***

POEZIE De boom valt op mij, Ilse Starkenburg