Recent Posts

Doorbreek dat witte bastion

Doorbreek dat witte bastion

Het Parool, Zaterdag 3 maart Boeken POËZIE – Spoken word draagt bij aan inclusieve literatuur Dieuwertje Mertens De Nederlandse poëzie is wit en hoogopgeleid. Maar dat kan veranderen. Dichters met andere (culturele) achtergronden vinden hun weg naar de uitgeverij, onder meer via spoken word; voordracht […]

Gevoel voor ritme, timing en drama

Gevoel voor ritme, timing en drama

Het Parool, PS Boeken 10 februari 2018 Dieuwertje Mertens De Vlaamse schrijver en dichter Carmien Michels (1990) laat in haar poëziedebuut We komen van ver zien waar ze vandaan komt. Dat doet ze met de nodige zelfrelativering en humor. Een van de gedichten draagt de […]

Grimmig literair zusje van Spit

Grimmig literair zusje van Spit

Het Parool, PS Boeken 3 februari 2018

Dieuwertje Mertens

Wat gebeurt er met een gezin als er een kind overlijdt? In haar debuutroman De avond is ongemak laat Marieke Lucas Rijneveld (1991) door de ogen van de tienjarige Jas zien hoe het gereformeerde boerengezin gezin waarin ze opgroeit ten gronde wordt gericht als haar oudere broer Mathies nooit meer thuiskomt.

 

Rijneveld, die zelf opgroeide op een boerderij in Noord-Brabant, debuteerde in 2015 met de dichtbundel Kalfsvlies. Ze gaat als Marieke en soms ook als Lucas door het leven. Ze won onder meer de C. Buddinghprijs 2016 voor het beste poëziedebuut. In haar roman presenteert ze zich als het literaire zusje van de Vlaamse dichter en schrijver Lize Spit die in 2016 debuteerde met de bestsellerroman Het Smelt en die de roman van Rijneveld aanprijst op de achterflap. Er zijn veel gelijkenissen tussen de twee romans. Wie weet zijn ze de vooraankondiging van een nieuwe lichting literaire coming of age streekromans (van een grimmiger slag dan de boerenliefdesromannetjes die het predicaat ‘streekroman’ krijgen). De auteurs hebben goed naar Jan Wolkers gekeken.

 

Beide romans zijn geschreven vanuit het perspectief van meisjes die opgroeien in een boerengezin onder beklemmende en uitzichtloze omstandigheden. Ze worstelen met hun ontluikende seksualiteit en gaan gebukt onder een hartverscheurende eenzaamheid waar zelfs het driemanschap waar de meisjes van Spit en Rijneveld deel van uitmaken geen einde aan kan maken. Het hoofdpersonage van Spit is bevriend met twee jongens, ze noemen zich ‘de drie Musketiers’, dat van Rijneveld is teruggeworpen op haar broer en zus; ‘de drie koningen’.

 

‘Ik was tien en deed mijn jas niet meer uit,’ luidt de openingszin van Jas, de protagonist van Rijneveld. Ze mag niet mee schaatsen, want Mathies gaat ‘naar de overkant’ en daar is Jas nog te klein voor. ’s Avonds staat de veearts voor de deur om te vertellen dat Mathies dood is; hij is door een wak gezakt. Vanaf dat moment is het leven voorbij voor het gezin. Vader en moeder zijn kapot van verdriet en Jas en haar broer Obbe en zus Hanna staan er alleen voor. Er ontstaat onder ‘de drie koningen’ een hardvochtig verlangen gered te worden door zanger Boudewijn de Groot, of anders de veearts, die aan ‘de overkant’ van het water woont.

 

De vertelling staat bol van de symbolische verhaallijntjes die het overkoepelende verhaal moeten bekrachtigen: Jas, geboren op dezelfde dag als Hitler (het kwaad huist in haar) denkt dat er Joden in de kelder schuilen voor wie moeder stiekem zorgt, zelf verschuilt ze zich in haar jas. Het lukt haar niet meer om te poepen (ze kan niet loslaten), de twee padden die ze op haar kamer verstopt, weigeren te paren (ze zijn net als vader en moeder niet meer in staat elkaar lief te hebben). En de dood waart letterlijk door de boerderij als alle koeien moeten worden afgemaakt in verband met MKZ.

 

Rijneveld zet haar kwaliteiten als dichter veelvuldig in. De roman bevat veel beeldende zinnetjes die blijven hangen, zoals: ‘Sommige woorden zijn nog te groot voor jouw kleine oortjes, die passen er nog niet door (..).’ Of als Jas vader nakijkt ‘(..) tot hij nog maar een klein zwart stipje op de dijk is, een vogel die uit zijn zwerm is gevallen.’

 

Het is een duistere en verstikkende roman, waar je zelfs als lezer af en toe uit weg wil vluchten. Je zal dat kind maar zijn, gevangen in een huis vol verdriet en in een lichaam dat verandert. Broer Obbe en de zusjes Hanna en Jas ondergaan de transformatie naar de puberteit gedrieën. Het uitvoeren van morbide (seksuele) experimenten op dieren en de aandrang om allerhande metalen voorwerpen in lichaamsopeningen te stoppen horen daar blijkbaar bij (op het rauwe platteland). Het hoofdpersonage van Spit wordt door haar vrienden verkracht met een gaatjesmaker. Met  de hulp van Jas verkracht Obbe haar vriendin Belle met een ‘pistolet’ (metalen inseminatiepistool, red.) waar ze stikstof in doen. Enfin, dat de kinderen ontsporen mag duidelijk zijn.

 

Dat Jas steeds meer in de war raakt, maakt Rijneveld inzichtelijk door de gebeurtenissen richting het plot minder scherp te presenteren alsof er een vlies tussen de verteller en de wereld is komen te liggen. Ze toont daarmee ook haar stilistische kwaliteiten als prozaschrijver; je kunt het met recht een verdienstelijk romandebuut noemen. Het is echter onduidelijk waarom Rijneveld zich in deze roman inhoudelijk zo spiegelt aan Spit; een grimmige knipoog van het ene plattelandsmeisje naar het andere?

 

Marieke Lucas Rijneveld; De avond is ongemak

De Arbeiderspers

272 blz.

19,99

 

 

 

 

 

 

 

 

Een kakofonie van stemmen en nog wat whatsappjes

Een kakofonie van stemmen en nog wat whatsappjes

Het Parool, PS Boeken, 27 januari 2018 Dieuwertje Mertens In Gebrek is een groot woord, de tweede roman van Nina Polak (1986), staat hoofdpersonage Nynke voor keuzes die te maken hebben met vrijheid en verbondenheid: moet ze zich settelen, blijft ze reizen, kiest ze voor […]

Het gevoel verloren te zijn

Het gevoel verloren te zijn

Het Parool, PS Boeken, 27 januari 2018 Dieuwertje Mertens Finse meisjes zeggen zelden gedag en als ze boos zijn sturen ze je een rotte zalm. Het is onmogelijk om nog aan Finse meisjes te denken, zonder aan Kira Wuck (1978) te denken. Met De zee […]

Balanceren op het randje van kitsch

Balanceren op het randje van kitsch

Het Parool, Donderdag 25 januari 2018

Verhelst is de koning van de Esthetiek

Dieuwertje Mertens

Vandaag is de Poëzieweek begonnen, Het bijbehorende poëziegeschenk werd dit jaar geschreven door de Vlaamse dichter, romancier en regisseur Peter Verhelst, die ook een gedicht voor de bibliotheken maakte, dat op posters door het land wordt verspreid. Dat gedicht, Hoe stil het ook zal worden, is zo’n wonderschoon gedicht, dat het te behaagziek of te kitscherig had kunnen zijn. Dat is het niet. Typisch Verhelst. Verhelst is de koning van de esthetiek en hij balanceert regelmatig op het randje van kitsch, maar gaat er niet overheen.

Dat doet hij ook niet in zijn poëziegeschenk, Wat ons had kunnen zijn. We bevinden ons tien gedichten lang in het theater: er is een podium, een publiek, een souffleur, een lachkoor en bekende stukken van Samuel Beckett en William Shakespeare.

Als een dichter zich baseert op theaterklassiekers, zou je een gedicht van anekdotische aard verwachten, maar dat is niet hoe Verhelst te werk gaat: Hij dient een toestand of een sfeer op. In Verhelsts Wachten op Godot (1) is de telefoon die afgaat in het publiek net zozeer onderdeel van de voorstelling als de acteur die op het podium staat: ‘(..)In het duister trilt een telefoon vergeefs./ Hoeveel levens sta ik hier al, handen/ in mijn jaszakken, gesloten ogen, alsof iemand in me neuriet. (..)’

Het toneel is een parallel universum, zoals er eigenlijk voortdurend en overal een parallel universum is. Dit laat Verhelst zien in Souffleur. ‘Wat ons had kunnen zijn:// onder al ons roepen zwijgt de man/die hier niet was/ over de vrouw die hij heeft gekend. (..)’

Zijn poëzie laat zich moeilijk samenvatten; daar gaat ook de aantrekkingskracht van uit. Hij gebruikt de taal om een situatie invoelbaar te maken. Daarom is zijn poëzie zo zintuiglijk, vol bewegingen en in zekere zin ‘theatraal’. Toch gaat het in wezen niet om wat we opvoeren en de rol die we spelen, maar om wat daaronder ligt: een mogelijkheid. Dat lijkt Verhelst in het poëziegeschenk te willen uitdrukken.

Of misschien zegt hij het wel in Wachten op Godot (2): ‘ (..) Ik heb een boom gebouwd, een tuin,/ met platte stenen de omtrek van een huis om in te wachten.// Boven de asfaltstrook trilt soms de vrouw/ in een fontein (..)’

 

Wat ons had kunnen zijn
Door Peter Verhelst
Cadeau bij besteding vanaf €12,50
in de Poëzieweek (t/m 31/1)

 

Hapiness alom

Hapiness alom

Awater, winter 2018 ‘Ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte’ Dieuwertje Mertens ‘Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden/of is het juist andersom?’ dicht Sasja Janssen in het titelgedicht van haar vierde bundel Happy. Welke invloed heeft de taal op onze […]

Boos en machteloos tegelijk

Boos en machteloos tegelijk

Het Parool, PS zaterdag 20 januari 2018 De gruwelen in de wereld Dieuwertje Mertens De dichtbundels die Remco Campert (1929) de afgelopen jaren uitbracht, stonden in het teken van zijn naderend afscheid, maar in Open ogen dringt ook de actualiteit de bundel binnen: de dichter […]

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Erecties houden geen stand, luisteren helpt

Over taal vs. terreur

Frank Westerman meets Mohsin Hamid tijdens Writers Unlimited in Den Haag. Gespreksleider: Chris Keulemans.

Kan taal een oplossing bieden bij geweld? Oftewel: kan een pen een wapen zijn? Deze vraag is zo idealistisch en naïef, dat de setting waarin hij gesteld wordt natuurlijk alleen een literair festival kan zijn. In een donker zaaltje, gevuld met vredelievende lezers, waarvan het merendeel de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, is geweld mijlenver weg. Dat neemt niet weg dat de besproken voorbeelden uit het leven zijn gegrepen.

Frank Westerman haalt een voorbeeld aan uit zijn non-fictie boek Een woord een woord , waarin hij zoekt naar een weerwoord op terreur.  Bij de treinkaping bij De Punt in 1977 werd in eerste instantie niet de marine ingezet, nee, de Nederlandse overheid stuurde psychiaters om met de Molukse treinkapers, ‘die we nu gewoon terroristen zouden noemen’, te praten. De zogenoemde ‘Dutch approach’, die inhield dat je in gesprek ging met terroristen en niet meteen geweld inzette, werd over de hele wereld beroemd. Psychiater Dirk Mulder, één van de twee onderhandelaars, had het uitgangspunt dat de treinkapers een ‘mentale erectie’ hadden en zoals iedereen weet; ‘erecties houden geen stand’. Mulders tactiek om de angel eruit te halen was luisteren, simpelweg luisteren. En als iemand zijn verhaal kwijt kan en wordt gehoord, is het voor die persoon moeilijk om tot geweld over te gaan.

Verhalen kunnen helpen, al is het maar om de impuls om wraak te nemen uit te stellen, denkt ook Mohsin Hamid, die met zijn roman The reluctant fundamentalist – een inkijkje geeft in de gedachten van de Pakistaanse Changez die zich na 9/11 niet meer thuis voelt in Amerika en zich probeert te zuiveren van de invloeden van een volk waarin hij de onderdrukker herkent.

Hamid: ‘Iedere jonge jongen wil James Bond zijn, maar bij donkere jongens zeggen we: dat kan niet, je voldoet niet aan het profiel. Als je opgroeit in een situatie waarin het onmogelijk is om een held te zijn, sluit je je aan bij IS, want daar is wel ruimte om een held te zijn. We moeten ons niet afvragen: hoe kunnen we voorkomen dat jongeren radicaliseren? De vraag is: Hoe kunnen we blanke (Nederlanders) laten inzien dat ze niet superieur zijn en dat minderheidsgroeperingen al lang niet meer in de minderheid zijn?’

Westerman vertelt hoe hij drie jaar geleden met zijn twaalfjarige dochter naar een demonstratie op De Dam ging als steunbetuiging aan de nabestaanden en ter nagedachtenis van de slachtoffers van de aanslag op Charlie Hebdo. Hij stond daar, hield een bord in de lucht – ‘de pen is machtiger dan het zwaard’ – en vroeg zich af: geloof ik dat echt? Een eenduidig antwoord op die vraag heeft hij niet, behalve dit: alleen het vraagteken haalt ons weg bij geweld.

 

 

‘In America, you are black, baby’

‘In America, you are black, baby’

Kritische blik op de verhouding tussen blank en zwart in Amerika Dieuwertje Mertens Ifemelu keert na dertien jaar in Nigeria als Americanah (zo worden de ‘veramerikaanste’ Nigerianen genoemd die na een verblijf in de VS terugkeren), waar haar jeugdliefde Obinze na een mislukte immigratiepoging woont. […]

De kwetsbaarheid van de dingen

De kwetsbaarheid van de dingen

Het Parool, PS boeken 6 januari 2017 Dieuwertje Mertens In haar goed ontvangen debuut Papieren veulens (2013) schept Hanneke van Eijken (1981) een sprookjesachtige wereld met een scherp randje. Ook de opvolger Kozijnen van krijt is op het eerste gezicht een lieve bundel vol beelddronken […]

De beste boeken van 2017

De beste boeken van 2017

Het Parool, PS donderdag 28 december 2017

Zo’n eindejaarslijstje met de beste boeken, exposities en films van 2017 slaat natuurlijk nergens op. Ik schrijf over fictie en poëzie, dus ik moet appels met peren vergelijken. Bovendien heb ik bij lange na niet alles gelezen om geldige uitspraken te doen over wat ik de beste titels vind die dit jaar zijn verschenen. Dat alles neemt niet weg dat er fantastische proza & poëzie is geschreven die ik graag onder de aandacht breng. In willekeurige volgorde:

Dieuwertje Mertens

 

Tonnus Oosterhoff, Ja/Nee, De Bezige Bij

 

Oosterhoff toon zich ook in deze bundel meester van de raadsels, stemmen en taalspelletjes. Ouderdom, ziekte en dood zijn terugkerende thema’s. Op ironische, maar ook schrijnende wijze laat hij de aftakeling zien. Hij weet hoe hij de taal moet ombuigen om nog preciezer te formuleren dan wanneer hij binnen de taalconventies zou handelen. Subliem!

 

Marije Langelaar, Vonkt, De Arbeiderspers

 

Vonkt gaat over liefdesleed, sleur en hervonden geluk. Langelaars poëzie varieert van vervreemdend en onheilspellend tot opzwepend en bevrijdend. De beelddronken gedichten in Vonkt zitten bomvol krachtige metaforen, waardoor ze voor meerdere interpretaties vatbaar zijn zonder het verhalende karakter te verliezen. Een bundel die haar naam waarmaakt.

 

Charlotte Mutsaers, Harnas van hansaplast, Das Mag

 

Bij het uitruimen van haar ouderlijk huis, waarin haar zonderlinge broer overleed, probeert Mutsaers te achterhalen wie hij was. Haar broer blijkt een fascinerend personage. Ze schuwt het ongemak niet en komt heel dichtbij. De mooiste vondst is misschien wel zijn broodtrommel met aan zichzelf gerichte briefjes, waarin hij zich een echte literator toont.

 

Justine Le Clercq, Krimp, Podium

 

Lina doet erg hard haar best om haar criminele verleden achter zich te laten en een normaal leven te leiden. De grote kracht van dit verhaal over schuldgevoel en agressie is Le Clercqs stijl: ze schrijft in scherpe, onomwonden zinnen die het verhaal voortstuwen. Het verhaal kent humor, tragiek en woede en er staat geen zin te veel in.

 

Yolanda Entius, Abdoel en Akil, Van Oorschot

Twee vriendinnen laten zich op vakantie meevoeren door Abdoel en Akil, Doris wordt aangerand, Nola verkracht. Entius’ grootste verdienste is dat ze laat zien hoe complex en verschillend de uitwerking bij de twee is: schuld en onschuld kennen vele schakeringen. Een verhaal dat nog lang nasuddert.

 

 

Ook heel goed:

Alexis de Roode, Een steen openvouwen (poëzie)

Tom Lanoye, Zuivering (fictie)

Arie Storm, Een diadeem van dauw (fictie)

Maarten van der Graaff, Wormen en Engelen (fictie)

Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens (fictie)

Paul Beatty, De Verrader (fictie, vertaald)

Franca Treur, Hoor nu mijn stem (fictie)