Recent Posts

Moderne klassiekers: Slachthuis vijf

Moderne klassiekers: Slachthuis vijf

Het Parool, zaterdag 21 juli 2019 De klassieker die je gelezen moet hebben: Slachthuis vijf Welke moderne klassiekers moet je als ­literatuurminnend wereldburger gelezen hebben? Dieuwertje Mertens selecteert deze week Slachthuis vijf uit 1969 van de Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut (1922-2007). Dieuwertje Mertens19 juli 2019, 20:18…

Vriendschap, liefde en verzet onder Franco

Vriendschap, liefde en verzet onder Franco

Het Parool, PS Boeken, zaterdag 6 juli Romanreeks: De geschiedenis van het Spaanse verzet Dieuwertje Mertens De Spaanse schrijver Almudena Grandes werkt aan een zesdelige romanserie over het verzet tegen Franco. Het vierde deel De patiënten van dokter Garcí­a gaat over een netwerk dat nazi’s…

‘Poëzie vond mij toen ik veertien was’

‘Poëzie vond mij toen ik veertien was’

Het Parool, PS Boeken, zaterdag 15 juni 2019

Bijtend pamflet: Koleka Putuma put kracht uit openheid

De Zuid-Afrikaanse performer, dichter en theatermaker Koleka Putuma maakt furore met haar activistische gedichten. Haar bundel Collective Amnesia sloeg internationaal in als een bom.

Door Dieuwertje Mertens

‘Als je bent geboren als zwarte queer vrouw in Zuid-Afrika, bén je de belichaming van politiek, er is geen ontkomen aan,” ondervindt Koleka Putuma (1993) sinds jaar en dag. In haar poëziedebuut Collective Amnesia (2017) legt ze haar hart bloot en confronteert ze de lezer met de koloniale geschiedenis, de apartheid, de machtsverhouding tussen zwart en wit en de patriarchale samenleving. De bundel sloeg in als een bom en kreeg al negen herdrukken. Er zijn plannen voor een Nederlandse vertaling.

Waarom vielen uw gedichten zo in de smaak bij een groot publiek?

“De bundel verscheen op het juiste moment in 2017, nadat er grote acties waren geweest van de studentenbeweging in Zuid-Afrika. Veel onderwijsinstellingen en universiteiten werkten aan de ‘dekolonisatie’ van het onderwijs. Mijn gedichten reflecteren op de actuele ontwikkelingen; de veranderingen in het denken in de maatschappij. Vrouwen en zwarte mensen beginnen zich te verweren. Dat zie je ook aan de opkomst van bewegingen als #MeToo en Black Lives Matter. Daarbij zijn mijn gedichten heel anders dan de poëzie waar ik op school mee in aanraking kwam; ze zijn geschreven in een taal waar mensen zich makkelijk toe kunnen verhouden.”

Uw boodschap over de bittere nasmaak van het kolonialisme, de apartheid en de scheve verhoudingen tussen wit en zwart zal niet bij iedereen goed vallen.

“De gesprekken tussen de verschillende groeperingen worden steeds gewaagder en eerlijker. Sommige mensen zijn bereid om een ongemakkelijke en eerlijke conversatie te hebben. Anderen hebben een nare nasmaak bij sommige van mijn gedichten, zoals het gedicht Water.

Dit gedicht laat zich lezen als een bijtend pamflet tegen de scheve raciale verhoudingen en de witte privileges. Instemmend gejoel en gejuich zijn te zien op online video’s van Putuma’s performance. De dichter vergelijkt de verhouding van de witte en de zwarte Zuid-Afrikaanse bevolking tot het water; de witte kolonisator kwam over zee om slaven te halen, om land op te eisen en gebruikt het water nu vooral als bron van vermaak (strandbezoek). Voor de zwarte inwoners is het een bron van angst; aan zee vonden executies plaats, de meesten kunnen niet zwemmen, hiermee werden zij gedoopt en namen het christendom van de kolonisator over.

U dicht: (…) you have taken the liberty to colonize the concept of God; gave God a gender, a skin colour (…). Hoe verhoudt u zich nu tot het christendom?

“Toen ik naar het voortgezet onderwijs ging, kwam ik in contact met andere culturen en religies. Dat zorgde ervoor dat ik ging reflecteren op mijn eigen opvoeding en cultuur. Ik kwam erachter dat mijn beeld van Jezus of God was ingebed in een koloniale structuur. Mijn beeld is veranderd van een God in de vorm van een witte man met blauwe ogen en lang blond haar in een hogere macht die terug te vinden is in meerdere mensen die ons onderweg in het leven helpen. Ik geloof in de kracht van het universum.”

In het gedicht Indulgence vraagt u een moeder haar dochter te leren dat de zogenaamde gekte die zich uit in woede of intens verdriet, een normale respons is op de geschiedenis van Zuid-Afrika. Hoe kan men deze ‘vergeten’ zijn?

“Het consolidatieproces gaf niet iedereen de mogelijkheid om fatsoenlijk te rouwen. Het resultaat hiervan is een zekere vergeetachtigheid. Tegelijkertijd worstelen veel zwarte families nog met de traumatische geschiedenis van hun land; de kolonisatie, de apartheid. Zij moeten de gelegenheid krijgen om boos te zijn, verdrietig te zijn, te huilen om wat ze hebben verloren. Bij witte mensen is er ook sprake van vergeetachtigheid. Zij denken: dat was het verleden, wat kunnen wij hier nu nog aan doen? Maar het residu van deze geschiedenis is aanwezig in de vezels van de samenleving.”

‘Fijn om zo moedig te zijn en hardop gedachten te                           formuleren die anderen niet uit durven spreken’

Uw debuut heeft een krachtige boodschap. Tegelijkertijd stelt u zich in deze gedichten erg kwetsbaar op. Hoe voelde u zich toen de bundel verscheen?

“Ik voelde me naakt, maar het geeft ook een machtig gevoel om zo openhartig te zijn. Het was fijn om zo moedig te zijn en hardop gedachten te formuleren die andere mensen niet uit durven spreken.”

“Ik vreesde het meest voor de gedichten die mijn familie aangaan. Ik heb het dan bijvoorbeeld over het gedicht over mijn vader die pastor is en ik die queer ben; een onderwerp dat onbespreekbaar is. Tegelijkertijd is het een troost dat er overal ter wereld mensen zijn die hetzelfde meemaken, die een streng religieuze achtergrond hebben en niet voor hun geaardheid uit kunnen komen. Wat mijn vader van mijn gedichten vindt? Hij heeft ze waarschijnlijk wel gelezen, maar we praten er niet over.”

Waarom is poëzie zo’n geschikt middel om uw boodschap in te verpakken?

“Ik heb de poëzie niet ontdekt, poëzie ontdekte mij toen ik veertien was. Het was voor mij een middel om uitdrukking te geven aan mijn gevoelens. Naarmate ik ouder werd, bleek poëzie het perfecte middel om te praten over mijn ervaringen als jonge, zwarte, queer vrouw. Het is zo’n groot en krachtig medium: poëzie geeft me de mogelijkheid om in een tijdsbestek van minder dan vijf minuten een boodschap te communiceren, daar leent een roman zich niet voor.”

Het gedicht Lifeline bestaat uit een lange lijst met namen van zwarte, veelal feministische, voorbeelden, zoals Kimberlé Crenshaw, Audre Lorde, Angela Davis. Op welke manier vormen zij de ruggengraat van uw werk?

“Sommige mensen op de lijst zijn overleden, anderen niet, er staan schrijvers tussen, vrienden, bekenden. Dit zijn de zwarte vrouwen die mij hebben geholpen om na te denken over mijn identiteit; over geslacht, ras, seksualiteit. Zij zijn vormend geweest in de manier waarop ik denk. Het gedicht On black solidarity gaat bijvoorbeeld over intersectionaliteit op een dieper niveau, over de problemen waar ik in het dagelijks leven tegenaan loop. (Give me one rapper I can trust my son’s ears with/give me one lyric I can trust my daughter’s image with.)

Het laatste gedicht in uw bundel eindigt met het scanderen van ‘rechtvaardigheid, rechtvaardigheid, rechtvaardigheid’. Zal recht zegevieren?

“Dear God, ik hoop het.”

 

 

Opgeheven vingertje

Opgeheven vingertje

Het Parool, PS Kunst en Media, 10 mei 2019 Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja schreef in opdracht van het Scheepvaartmuseum een gedicht voor de tentoonstelling Republiek aan Zee, die vandaag opent. Dieuwertje Mertens volgde het proces. VRIJDAG 1 MAART “Kijk, ik heb speciaal een schipperstrui…

Familie als de basis van alles

Familie als de basis van alles

Het Parool, Dagblad van het Noorden, Leeuwarder Courant, zaterdag 20 april Huidskleur bepaalt hoe je wordt bejegend Dieuwertje Mertens Gebroken wit is de nieuwe roman van P.C. Hooft-prijs-winnaar Astrid H. Roemer. Hoofdmetafoor in het verhaal van de Surinaamse familie Vanta is het licht. ,,We zijn…

Het spektakel van een archiefkast

Het spektakel van een archiefkast

Het Parool, Boeken, 30 maart 2019

Een hand die verzamelt en classificeert

Door Dieuwertje Mertens

‘Een archief kan niet zonder archivaris, een hand die verzamelt en classificeert,’ is één van de motto’s van het eerste deel van Archief van verloren kinderen van Valeria Luiselli. In haar nieuwe roman is dat precies wat ze probeert te doen: orde scheppen in situaties die haar te veel dreigen te worden, zoals een ontsporend huwelijk en de vermissing van Mexicaanse kindvluchtelingen.

Het is niet voor het eerst dat Luiselli schrijft over de verschrikkingen die migranten aan de Mexicaans-Amerikaanse grens moeten doorstaan. Veel echo’s van de essaybundel Vertel me het einde (naar de vraag van één van haar kinderen, die wil weten hoe het een vluchteling bij de grens vergaat) weerklinken in Archief van verloren kinderen, ware het niet dat de vluchtelingen nu zijn ingebed in een groter verhaal over ontworteld zijn.

Centraal staat een samengesteld gezin: een Mexicaanse moeder (die veel wegheeft van Luiselli zelf) en dochter en een Amerikaanse vader en zoon. Het werk van de ouders, deelnemers aan een groot project om de stad New York in soundscapes te vatten, heeft hen bij elkaar gebracht. Vier jaar leven ze samen in een appartement, tot het project is afgerond en de ouders op zoek moeten naar nieuwe projecten.

Kindvluchtelingen

Door uiteenlopende interesses treedt verwijdering tussen de ouders op: vader, sound scape artist (documentalist) van beroep, stort zich op de geschiedenis van de Apache-indianen. Moeder, documentairemaker, raakt geobsedeerd door de kindvluchtelingen die de grens bij Mexico over zijn gekomen. Ze wil op zoek naar de verloren dochters van een Mexicaanse vriendin.

Toch gaan ze met z’n allen op een roadtrip naar Arizona, op zoek naar de verhalen van de Apachen, geluiden opnemen ‘die meestal onopgemerkt blijven’. Onderweg luisteren ze op de radio naar het nieuws over de vloedgolf aan kindvluchtelingen die Amerika binnenkomen. Moeder leest voor uit een boekje getiteld Treurzangen voor verloren kinderen; een reeks dramatische allusies op bestaande verhalen over reizen en migratie van onder meer Joseph Conrad en T.S. Elliot.

De jongen heeft een polaroidcamera gekregen en vraagt zich af wat hij met de foto’s documenteert. ‘Hoewel we in de auto op een armlengte afstand van elkaar zitten, zijn we vier stipjes die niet onderling zijn verbonden – ieder op onze eigen plek, met onze eigen gedachten, ieder in stilte worstelend met wisselende stemmingen en onuitgesproken angsten’, schrijft Luiselli.

De ouders zijn gefocust op de onderlinge verschillen, maar de kinderen zien de overlap in interesses; de Apachen werden, net zoals de Mexicaanse kinderen, verdreven en uitgezet. Om de aandacht van hun ouders op te eisen, lopen de jongen van tien en het meisje van vijf weg. Ze gaan in hun eentje op zoek naar de vermiste dochters van de vriendin van hun moeder. De kinderen in het uiteenvallende gezin voelen zich net zo verloren als de Mexicaanse vluchtelingen.

Zeven dozen

Om de verhalen en obsessies van de gezinsleden te ordenen, is de roman opgebouwd als een archiefkast, waarin dozen met uiteenlopende archiefstukken zijn geplaatst. In de achterbak van de auto staan zeven dozen, respectievelijk hoofdstukken: doos een tot en met vier zijn van vader, doos vijf is van moeder, doos zes is van het meisje, doos zeven is van de jongen. En al die dozen zitten vol verhalen, citaten, verwijzingen, geluiden, muziekstukken, beelden.

Luiselli laat in Archief van verloren kinderen zien dat het loont om complexe, gelaagde verhalen op zo’n manier naar het papier te vertalen. Ze raadpleegt daarbij schrijvers als Susan Sontag en Ezra Pound en ontleent citaten en een aanpak aan hen. Stijl en middelen voegen zich naar het verhaal.

Als de kinderen onderweg zijn naar Echo Canyon, waar ze hopen hun ouders te treffen, ligt het vertelperspectief bij de jongen. In zijn haast om de bestemming te bereiken, ontbreken de punten in zijn zinnen. En in zijn archiefdoos – het laatste hoofdstuk – zitten de poëtische polaroids die hij onderweg maakte voor zijn zusje.

De hoogdravende en volstrekt originele aanpak van Luiselli maakt van de roman een intellectueel duizelingwekkend en hartverscheurend spektakel.

 

 

 

Feminisme: Weinig eigentijdse voorbeelden in nieuwe leeslijst

Feminisme: Weinig eigentijdse voorbeelden in nieuwe leeslijst

Het Parool, Boeken, zaterdag 23 maart 2019 Romans die je als moderne feminist gelezen móet hebben Door Dieuwertje Mertens ‘Hoe te leven? Hoe te worden wie je bent? Simone de Beauvoir ging ons voor, in ieder geval mij,’ schrijft criticus en schrijver Marja Pruis. Een…

‘Ik heb gevochten als een leeuw om dit pokkeverhaal niet te vertellen’

‘Ik heb gevochten als een leeuw om dit pokkeverhaal niet te vertellen’

Het Parool,  PS Kunst en Media, vrijdag 16 maart 2019 Manon Uphoff schrijft openhartig over misbruik De vormenrijkdom van een traumatische jeugd Dieuwertje Mertens In de roman Vallen is als Vliegen beschrijft Manon Uphoff haar jeugd; een labyrintische wereld waarvan misbruik en geweld vaste onderdelen…

Woorden als diva’s op de bühne

Woorden als diva’s op de bühne

Het Parool, Boeken, zaterdag 2 februari 2019

Tom Lanoye: Dichter is weer even terug

Door Dieuwertje Mertens

Tijdens een interview vertelde dichter en (theater)schrijver Tom Lanoye me eens dat hij zich meer romancier voelt dan dichter. Hij bracht de laatste jaren ook meer romans (en theaterstukken) dan dichtbundels uit. Toch schreef hij voor Poëzieweek het Poëziegeschenk Vrij – Wij? Ook is er een nieuwe bloemlezing van zijn poëzie, De meeste gedichten.

Hij begon zijn dichterscarrière op het podium en ook zijn gedichten zoeken de spotlights op als echte diva’s die gezien en gehoord moeten worden. Bescheidenheid is hun vreemd. Ze maken hun entree met verheven stem en weidse armgebaren, met grote woorden (wanhoop, schoonheid, moord, liefde, passie) en de nodige overdrijving (Lanoye heeft een voorliefde voor overdreven bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden, zoals ‘rotbedorven’, ‘onwrikbaar’, ‘weelderig’). Drama ligt op de loer.

Poëtische opera

Lanoye debuteerde met Maar nog zo goed als nieuw (1980). Gedichten uit zijn eerste vijf bundels zijn om onbekende redenen – er is geen voorwoord of inleiding – niet opgenomen in De meeste gedichten. De bloemlezing begint met In de piste (1984); veelal humoristische gedichten die hij ook ten gehore bracht op het podium. Lanoye is een fantastische performer. Hij was in de jaren tachtig een van de belangrijke Vlaamse vertegenwoordigers van de performance-traditie. Communicatie met het publiek stond en staat voorop en verstaanbaarheid is daar een belangrijk onderdeel van.

Het thema van het Poëziegeschenk is ‘vrijheid’, die heeft Lanoye ook zeker genomen in Wij – Vrij? dat zich losjes tot dit thema verhoudt, op een flauw openingsgedicht na waarin hij de (negatieve) betekenis en de begrenzingen van het woord onderzoekt: ‘De lucht is vrij,/ De vraag is vrij./ De vrijheid niet.// Ze lonkt en vrijt./ Maar zij ontschiet.* Na dit ‘verplichte nummertje’ inclusief woordgrapje, alliteratie en eindrijm doet hij waar hij zin in heeft en klimt hij direct het spreekwoordelijk podium op om een poëtische opera op te voeren.

De gedichten die volgen doen denken aan theatertekst of opera, links en rechts of gecentreerd op de pagina, met regieaanwijzingen tussen haakjes. Er zijn gedragen dialogen en koortjes (samenzang), een verteller richt zich tot de vierde wand (het publiek).

Gedicht als theatertekst

De ondertitel van het gedicht De engelenbak, ‘of: het leven is een schouwtoneel’ (vrij naar Joost van den Vondel: ‘De wereld is een schouwtoneel/ieder pakt zijn rol, ieder krijgt zijn deel’), zou een samenvatting kunnen zijn van de poëtica van Lanoye. De dichter stelt voor om de kerk in te ruilen voor het theater: ‘wissel (..) snode goden voor molière vondel en voltaire.’

Het gedicht, dat is opgesteld als een theatertekst, krijgt de klank van een hedendaags gebed: ‘geef ons: andere levens andere smoelen/ om die van ons niet meer te voelen.’ En hij besluit met: ‘schenk ons: weelderig voetlicht en luttele verzen/ om al tijdelijk te wennen aan verdwijnen als generale/ repetitie voor ons weinig feestelijke slotpremière.’ Het gedicht zit goed in elkaar, vol verwijzingen en spitsvondigheden, ook de vorm is goed uitgewerkt. Maar dan die slotstrofe, die inderdaad niet valt te misverstaan. Dat de dood een kwestie van ‘verdwijnen’ is en ‘weinig feestelijk’ is too much. Door dat te benadrukken helpt hij het gedicht om zeep.

De vinger op de zere plek

Dat maakt Lanoye niet uit. Hij maakt van zijn zwakte een deugd, getuige ook het slotgedicht van het Poëziegeschenk, getiteld L’envoye de lanoye (boodschap van Lanoye). In de kantlijn richt hij zich op dramatische wijze tot zijn nageslacht en de toekomstige lezer (‘zo u nog leest’). Hij dicht: ‘Als ik me haat, is het daarom: ik ken geen maat.// Altijd: te veel, te luid, te grof, te groot, te graag en nooit/ genoeg. Een drietal zielen in één borst. De nar, de nerd/ en een vertwijfelde die zijn verlossing zoekt in zwoegen.’

Hij legt de vinger op de zere plek; overmaat maakt zijn gedichten soms te pompeus, te nadrukkelijk. Tegelijkertijd is het onderdeel van het theater van Lanoye. Je vergeeft hem veel, zoals je ook vergevingsgezind bent jegens een operadiva, zodra ze begint te zingen.

Toch houdt hij zich ook af en toe in. Een van mijn favoriete gedichten van Lanoye is Aanhoudende vorst, asse en sneeuw, opgenomen in de bloemlezing. Hij beschrijft zijn moeder die, hoe vertrouwd ook, een onbekende is. Hij verlangt ernaar de vrouw te kennen die ze was voor ze een gezin had: ‘Ik begrijp het niet: hou ik dan van/ haar en ben ik erger dan een/ vreemde? Ik weet waarvan ze hield/ zonder het te kennen (..)/ ik wil weten wie ze was.‘ Zonder het kleine gebaar, valt het grote natuurlijk niet op.

 

De magie van een gedicht

De magie van een gedicht

Het Parool, PS Kunst en media, donderdag 31 januari 2019 Poëzieweek: Spoken word en poetry slam groeien naar elkaar toe Dieuwertje Mertens Tijdens de Poëzieweek wordt de Nederlandse poëzie gepromoot met activiteiten door het hele land. Om de verkoop van dichtbundels te stimuleren is er…

Van Afrika en voor Afrika

Van Afrika en voor Afrika

Het Parool, Boeken, 12 januari 2019 Winternachten: Literatuur vanuit Oegandese orale traditie Jennifer Nansubuga Makumbi is komende week te gast op het Haagse literatuurfestival Winternachten Writers Unlimited. Een gesprek over Afrikaanse literatuur. ‘Afrikaanse auteurs schrijven vaak voor de witte markt.’ Door Dieuwertje Mertens ‘For God’s…

Een nog groter mysterie

Een nog groter mysterie

Het Parool, zaterdag 12 januari, Boeken

Romanschrijver van beroep

Door Dieuwertje Mertens

Hoe komt het dat de Japanse auteur Haruki Murakami wereldwijd zoveel hartstochtelijke bewondering oogst onder lezers? En dan heb ik het niet over het gedegen soort literaire waardering dat wel meer wereldberoemde auteurs ten deel valt, maar over uitzinnige fandom. Maandag vindt bijvoorbeeld een Murakami Music Night plaats in het Concertgebouw, waar de favoriete muziek van de auteur wordt gespeeld, die ook terugkomt in zijn romans. Deze was al zo snel uitverkocht dat er een tweede avond is gepland op de 15de. En hij is zelf niet eens present, want van publieke aandacht moet hij weinig hebben.

Dat maakt zijn Romanschrijver van beroep, dat dinsdag in vertaling verschijnt, in potentie ook zo’n gewild exemplaar. Murakami laat zich niet graag interviewen en treedt weinig in het openbaar, maar hierin doet hij een boekje open over zijn schrijverschap. De ruim 35 romans, zoals Norwegian Wood, Kafka op het strand, 1984, De Moord op Commendatore en andere werken (korte verhalen, essays, non-fictie) die hij schreef, werden in vijftig talen vertaald. Murakami beschikt over de gave om romans te schrijven die voldoende cultureel ontworteld zijn om aansluiting vinden bij de regionale belevingswereld van lezers over de hele wereld (‘wereldromans’ volgens Tim Parks), maar ook genoeg originaliteit hebben om ze uniek te maken.

Zeven jaar geleden kocht ik op een kunstbeurs een houtskooltekening van Kim Hospers waarop een schaap in pak te zien is dat op de bank zit in een donkere ruimte naast een sneeuwend televisiescherm. Hoewel de kunstenaar iets anders trachtte uit te drukken, herkende ik mijn favoriete passage uit Dans, dans, dans: een volstrekt particuliere associatie, onttrokken aan mijn eigen verbeelding. Op de vijftiende verdieping van het Dolphine Hotel woont Schaapman, een soort orakel. Hij geeft het hoofdpersonage een opdracht: ‘You gotta dance.’ Een paar jaar geleden kwam een vriend, expat in Cambodja, op bezoek met zijn Vietnamese vriendin. Ze liep direct naar de tekening en zei: ‘This is the Sheep Man from Haruki Murakami.’ Omdat dit voorval zich aan de rand van Murakami’s universum afspeelde, leek het me geen toeval dat deze onbekende vrouw met een ander cultureel referentiekader Schaapman onmiddellijk herkende. Murakami roept altijd verwondering op bij wat voor de hand ligt en onmiddellijke acceptatie van dat wat verwondert. Er barstte in elk geval direct een gesprek los over Murakami.

Geen wetmatigheden

Waar de aantrekkingskracht in zijn verhalen van uitgaat, laat zich niet zo makkelijk omschrijven. In Romanschrijver van beroep geeft hij zelf iets prijs van wat zijn werk uniek maakt. Dat doet hij door zijn routines, zijn manier van schrijven (afgezet tegen het literaire veld) en de ontwikkeling die hij doormaakte te beschrijven. De lezer die hoopt op een soort handleiding – hoe schrijf ik een roman? – kan beter te rade gaan bij Stephen King, James Wood, Renate Dorrestein of Arie Storm. Murakami vertelt alleen hoe Murakami schrijft en daar vallen geen voorschriften of wetmatigheden aan te ontlenen.

‘Een roman schrijven is een hoogst stompzinnige bezigheid. (..) Het is een handeling waarbij je voortdurend ‘bij wijze van spreken’ herhaalt,’ schrijft Murakami. De succesauteur stelt zich extra bleu op, soms zelfs op het ergerniswekkende af, waardoor je al snel voelt dat dit de manipulaties van de romanschrijver zijn die zijn eigen leven romantiseert door zijn schrijverschap zo nadrukkelijk doodgewoon te doen lijken.

Hij voelde op zijn dertigste de aandrang om een verhaal te schrijven, al was het alleen maar om de ‘leegte in mijn hart te vullen’. Dat deed hij ‘s nachts aan de keukentafel, na een lange dag werken in zijn eigen jazzclub. Hij benadrukt dat hij door het harde werken, het afzien en het nachtleven weliswaar een beetje levenservaring had opgedaan. Maar hij was zich ervan bewust dat hij verder niet bepaald een afwijkende jeugd of spannend leven had die hem als schrijver interessant zouden maken. Daarom was stijl zo belangrijk, daar viel de winst te behalen.

Gunzo Debutantenprijs

Om alle overbodige ballast van zich af te schudden, besloot hij te schrijven in het Engels, waarin zijn woordenschat beperkter was. Vervolgens vertaalde hij de tekst in het Japans. Hierdoor was de tekst als het ware twee keer gefilterd, wat een unieke stijl opleverde. Hij won met Luister naar de wind de Gunzo Debutantenprijs, een grote prijs in Japan, die het begin van zijn carrière markeert. Zelf lees ik Murakami altijd in het Engels, maar ook deze zijn weer her(ver)taald uit het Japans. Het effect is dat er steeds weer iets ontglipt, wat de teksten een bijzonder soort kunstmatigheid verschaft. Ze zijn als het ware ‘losgezongen’ van een (culturele en talige) context.

Verder benadrukt Murakami hoe belangrijk het is om te schrijven omdat het je plezier verschaft, om vrij te zijn van waarden (hij bemoeit zich nadrukkelijk niet met de Japanse literaire wereld), hoe muziek het ritme van zijn teksten dicteert en hoe je je los moet weken van een wereldlijke logica. Kortom: al die zaken die je terugleest in zijn romans. Toch is het zo dat hoe meer schrijversgewoonten en -gebruiken Murakami op zijn eigen heldere, nuchtere manier uiteenzet, hoe meer hij de verwondering en dus het mysterie voedt. Zijn fans zouden niet anders willen.